is toegevoegd aan uw favorieten.

De mensch in den IJstijd in Europa en de ontwikkeling zijner beschaving tot aan het einde van den Steentijd

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tot zulk eene kunstvaardigheid in staat zou hebben geacht.

Al deze eenvoudige weefsels konden door tegenwoordige technici op dit gebied nagemaakt worden op een zeer primitieve weefstoel met loodrecht gestel, dat door middel van twee aan het einde vorksgewijs eindigende palen den weversboom droeg. Van dezen hing de ongeveer 40 draden sterke ketting tot op den grond, onderaan bezwaard met opgeraapte steenen, in den bronstijd ook wel met uit gebrande klei gemaakte gewichten, ten einde de draden gespannen te houden. Met een spitse, houten schietspoel ging men dan bij het weven heen en weêr. De draad werd gesponnen door middel van een houten spinrok met ronden ring, uit zachten steen, later in den bronstijd uit

Fig.147.Naar de vondsten inelkander gezette rechtop staande weefstoel der neolithische paalbewoners (uit Heierli Urgeschichte der Schweiz). Aan een stok, die rustte op twee bovenaan vorksgewijs uitloopende stijlen, waren de gesponnen draden vastgebonden, die onderaan bundelsgewijs waren samengenomen en door van inkervingen voorziene steenen of door gewichten van gebrande klei bezwaard werden en daardoor strak werden gehouden. Opdat de draden van deze ketting niet in de war zonden geraken, werd boven de kettingstrekkers een koord gehaald. Bij het weven werd een lang en spits stuk hout, de weefstok, als een primitieve schietspoel gebruikt, waaromheen de inslagdraad was gewikkeld die afwisselend vóór en achter de op elkander volgende 'draden werd doorgetrokken, om aan het einde der ketting gekomen, den omgekeerden weg te vervolgen. Zoo ging men voort, totdat het stuk geheel geweven was. Daarbij werd, om het doek de noodige dichtheid en vastheid te geven' de draad na iederen inslag met den weefstok tewn liet

reeds gewevene aangeslagen. Deze weefstok vertegenwoordigt dus zoowel de schietspoel als de lade onzer tegenwoordige weefstoelen. Od deze wiize <,.<>..,1

uuui ue paaioewoners ae duurzaamste, noewel niet de schoonste weefsels de zoogenaamde effenbinding, voortgebracht. Als de kruisingen slechts plaats hadden na meerdere, hoewel nog altijd een gering aantal kettingdraden te zijn overgegaan, dan ontstond de keperbinding en wanneer de kruisingen gering werden ontstond het schoonste hoewel minst sterke weefsel, dat men de satijnbinding noemt. De neolithische paalbewoners hebben slechts de effenbinding en de keperbinding geweven; eerst in historischen tijd heeft men ten koste der duurzaamheid liet glanzende weefsel geweven, dat men satijnbinding noemt, vooral toen de ziide in gebruik kwam. Daar bij de satijnbinding de inslagdraden zeer zelden met de kettingdraden verbonden worden, vallen de enkele onderbrekingen in het verloop van den draad minder in het oog en daardoor ontstaat een gelijkmatig eians die de schoonheid van dit weefsel uitmaakt.

gebrande klei vervaardigd. In Robenhausen heeft men o.a., behalve onverwerkt vlas, geheele bundels gesponnen garen in verkoolden toestand gevonden. Een kluwen, dat wij