is toegevoegd aan uw favorieten.

De mensch in den IJstijd in Europa en de ontwikkeling zijner beschaving tot aan het einde van den Steentijd

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

oorspronkelijk ook een bloedverwantschap aanduidt, welke evenwel met der tijd door opname van voortdurend nieuw, vreemd bloed verloren ging, heeft haar oorspronkelijk vaderland ongetwijfeld in een koud, noordel ijk land, nl. in Europa en niet in Azië, zooals men langen tijd gemeend heeft. Zooals uit hunnen oorspronkelijk gemeenschappelijken woordenschat blijkt, leefden in het land hunner afkomst, toen zij nog als één volk samenleefden, slechts noordelijke planten en dieren. Zij kenden bijv. en hadden dezelfde woorden voor berk, beuk, eik, esch, els en den, evenals voor beer, wolf, haas, muis, bever en arend, echter niet voor palm, leeuw, tijger en kameel, dieren dus, die zij met hetzelfde woord zouden hebben aangeduid, wanneer Azië het oorspronkelijk vaderland was geweest. Ook hadden zij dezelfde woorden voor sneeuw, ijs en winter. Het klimaat van hun oorspronkelijk vaderland moet dus koud en ruw geweest zijn. Zij oefenden er een zeer primitieven hak bouw uit, die geheel in de handen der vrouwen was; deze plantten voornamelijk gerst, minder algemeen tarwe en gierst, en na volbrachte oogst wreven zij de zaden tot meel, dat, met water gemengd en een weinig gezouten, tot brei werd gekookt, of ook wel in de asch of op heete steenen gebakken, tot een eenvoudig soort brood werd bereid. Behalve de wrijfsteenen, die de oudste handmolens zijn geweest, was het belangrijkste keukengereedschap der vrouwen eenig uit de hand gemaakt eenvoudig aardewerk.

1 erwiil de vrouwen de huiselijke werkzaamheden verrichtten en het veld bebouwden, gingen de mannen op de jacht en de vischvangst uit. Deze laatste bezigheden speelden echter voor het levensonderhoud niet meer zulk een gewichtige rol als in den voortijd, daar bij de levenswijze op vastere woonplaatsen, door den hakbouw vereischt, de mannen zich meer en meer op de veeteelt gingen toeleggen. Onder de huisdieren, die door de oudste Indo-germanen in hun oorspronkelijk vaderland werden gehouden, nl. de hond, het rund, het schaap, de geit en het varken, speelde het rund verreweg de belangrijkste rol. Dit dier gaf niet alleen het peil aan van het vertier