is toegevoegd aan uw favorieten.

De mensch in den IJstijd in Europa en de ontwikkeling zijner beschaving tot aan het einde van den Steentijd

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

spreekt van zelf; de anderen, de vrouwen en kinderen, moeten er zelf voor zorgen, dat zij iets krijgen.

Op den tocht draagt de man slechts zijne wapens, al het overige laadt hij op zijn werkdier, de vrouw, voor wie hij geen liefde, in hoogeren, geestelijken zin koestert; hij zoekt bij haar slechts bevrediging van zijn dierlijken aandrift. Zoo draagt de vrouw, voor wie het als van zelf spreekt, behalve het kleinste kind, in een ruwen zak op den rug alles mede wat op den tocht noodig mocht zijn: de vuursteenmessen, priemen en naalden uit been, pezen der buitgemaakte dieren, naaidraad, droge stukken hout om vuur te maken, ruwe stukken dierenhuid om de speerschaften te polijsten, verder kleurstoffen voor het verven van de huid, als oker en roet met vet aangemaakt, een platten steen om eetbare wortelen fijn te wrijven, en eindelijk eenige vuursteenknollen en stukken hoorn en been, om werktuigen en wapens te maken, hars en pik om de vuursteenmessen en zagen en de beenen speerpunten en harpoenen in de houten schaft te bevestigen. x) Deze last wordt nog vermeerderd door de grootere kinderen, die tegen haar aanhangen, en bij een zoodanige belasting, terwijl de troep onder weg tot het opsporen en eten van al wat eetbaar is telkens stilhoudt, is het geen wonder, dat de weg, die op een dag wordt afgelegd, slechts enkele kilometers kan bedragen.

De mensch op lagen cultuurtrap, die voortdurend gebrek lijdt en dus slecht gevoed is, weet desniettemin een hooge mate van energie te ontwikkelen. Niet alleen dat hij meestal in gezelschap jaagt, om zich daardoor een grooteren opbrengst te verzekeren, ook daar, waar hij zich op zijn persoonlijke kracht moet verlaten, vervangt hij zijn betrekkelijk geringe lichaamskracht door list en behendigheid en maakt hij goed verborgen valkuilen en hinderlagen, terwijl hij ook zijne wapens van gif voorziet, hetgeen de menschen op hoogeren cultuurtrap als een den fatsoenlijken mensch onwaardige gewoonte beschouwen.

Wanneer het geluk wil, dat men rijk beladen van de

1) Zie het aangehaalde boek van Mr. Lorcntz.