is toegevoegd aan uw favorieten.

De mensch in den IJstijd in Europa en de ontwikkeling zijner beschaving tot aan het einde van den Steentijd

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een hand, 6 heet de eerste vinger der andere hand, 7 de tweede vinger der andere hand enz.; als men geen hand meer ter beschikking heeft, behelpt men zich met de voeten; zoo heet 12 : twee teenen van den eenen voet, 18: drie teenen van den anderen voet, 20: een geheel mensch. Wat daarboven gaat, beteekent veel.

I lun oriënteeringsvermogen is buitengemeen groot. Hunne wateren en kusten kennen zij nauwkeurig en zij zijn met de levenswijze der dieren, van welke zij leven, volkomen vertrouwd, doch voor eenigen geestelijken arbeid, die nauwkeurige opmerkzaamheid en veel nadenken vereischt, zijn zij weinig geschikt. Hunne gedachten hebben steeds slechts betrekking op de bezigheden, die voor hun bestaan noodzakelijk zijn. Aan hetgeen daarmede niet onafscheidelijk verbonden is, denken zij ook niet.

Van nature zijn zij zeer goedaardig en vreedzaam gezind; zij winden zich zelden voor iets op, vatten zelden een genegenheid op, verbergen dan echter hunne gevoelens zorgvuldig voor het voorwerp hunner genegenheid. Hun eenig streven is, zich zat te eten. Meer begeeren zij niet. Daarbij zijn zij buitengewoon vuil en onrein, wasschen zich nooit en zijn vol ongedierte. De voortreffelijke hernhutter zendeling David Kranz zegt van hen in zijn in het jaar 1765 verschenen „Geschiedenis van Groenland": „Hunne kleêren druipen van traan en zijn vol luizen, die zij, evenals de bedelaars, bij handenvol hebben, doch welke zij niet wegwerpen, maar tusschen de tanden stukbijten." De moeders likken hunne kinderen af, in plaats van ze te wasschen en de volwassenen schaven met het steenen mes het met zweet doortrokken vuil af, als het zich al te sterk heeft opgehoopt en likken het met graagte op. Hetgeen de neus afscheidt, wordt eveneens gegeten, gelijk men er ook niets tegen heeft, uit hetzelfde aardewerk, waaruit de

Tien noemt men twee handen, Biamantekaboe; voor elf moet men één teen gaan leenen; vijftien heet twee handen en één voet; twintig, een heele Indiaan, Abba loekoe. Een-en-twintig = één Indiaan en één vinger. Veertig = twee Indianen. Honderd = vijf maal een Indiaan, Abba loekoenoebena toppakitan tojoho.

Volgens Kappler kunnen de tot den stam der Caraïben behoorende Tndi nen van Suriname, evenals de Eskimo's, niet boven twintig tellen en drukken zij de hoogere getallen eenvoudig door pwiemé = veel, uit. Noot v. d. bew.