is toegevoegd aan uw favorieten.

De mensch in den IJstijd in Europa en de ontwikkeling zijner beschaving tot aan het einde van den Steentijd

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zich in de hut nemen, op hunne harde slaapplaats van

rendier- en zeehondenvel te verwarmen. Zij liggen daarbij

met de hoofden in het midden en steken de voeten naar buiten.

Des winters is het vleesch der verschillende zeezoocr. dieren, vooral der zeehonden, en ook van rendieren, beren en vossen of wat zij verder kunnen buitmaken, hun eenig voedsel. In den zomer eten zij bovendien verschillende soorten van watervogels en hunne eieren en bij uitzondering ook enkele voortbrengselen uit het plantenrijk, als bessen en kruiden. Met visschen houden zij zich weinig bezig; daar hen het gebruik van den vischhoek onbekend is, voor zoover zij naar oude gewoonte en niet onder europeeschen invloed leven — en over zulke Eskimo's handelen wij hier — gebruiken zij den harpoen.

Het dierlijk voedsel te bemachtigen, is het eenige werk der mannen, terwijl de vrouwen niet alleen alle huiseIijken arbeid, doch ook al het overige werk doen. Dit jagersleven op een veelal zeer stormachtig water is buitengewoon moeielijk en gevaarlijk en kost aan tallooze mannen een vroegtijdigen dood in de golven. Doch als zij hun werk hebben volbracht, bekommeren zij zich om niets meer; want al het overige verrichten de vrouwen die weinig meer dan de slavinnen der mannen zijn en geen rechten kunnen doen gelden. Wanneer de mannen van de jacht terugkeeren, komen de vrouwen hen tegemoet, helpen hen aan land te komen, dragen den buit huiswaarts, snijden dezen aan stukken en zorgen voor de verdere toebereiding. Het is beneden de waardigheid der mannen, bij dit dikwijls zware werk de vrouwen ook slechts op eenige wijze behulpzaam te zijn; hoogstens bekommeren zij zich nog om hun kajak, hun met leder overtrokken boot en hunne wapens. De vrouwen zijn volgens de opvatting der Eskimo's het eigendom der mannen, waarmede zij kunnen doen, wat zij verkiezen, dat zij in vroeger tijden geroofd hebben, doch in de tegenwoordige geregelde omstandigheden van hunne voorvaderen te^en hetgeen de jacht opbracht hebben ingeruild, m. a. w. bekocht hebben, en dat zij dus naar verkiezen kunnen uit-