is toegevoegd aan uw favorieten.

De mensch in den IJstijd in Europa en de ontwikkeling zijner beschaving tot aan het einde van den Steentijd

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van den dood uitgaat, dat men deze met alle macht moet ontvluchten.

Dikwijls wacht men niet eens den dood van een zwaarzieke af, doch begraaft hem levend, om zich op deze wijze voor de tooverij van den dood te vrijwaren. Men doet dit vooral bij de oude vrouwen, die men de grootste tooverkracht toeschrijft en wier booze invloeden men op deze wijze het best meent te kunnen bestrijden. Al laat men een zieke ongemoeid tot hij gestorven is, toch neemt men in elk geval reeds gedurende zijn leven de noodige maatregelen voor de begrafenis en dat wel in tegenwoordigheid van den stervende, die de voorbereidselen gelaten aanziet, alsof het hem niet aangaat. Zoodra hij den laatsten adem heeft uitgeblazen, breekt men in den wand der hut, waarin hij stierf, tegenover den ingang een gat en trekt zonder verdere plichtplegingen het nog warme lijk er doorheen naar buiten. Men gelooft hierdoor den geest van den afgestorvene op een dwaalspoor te kunnen brengen, want door het gat dadelijk dicht te maken, kan hij immers den terugweg in de hut niet weêr vinden en de bewoners — die, na eenige bezweringen tot afweer van den geest van den doode, hunne gewone levenswijze weder aannemen, — niet plagen en geen schade toebrengen. Het lijk wordt buiten, als het nog warm is, op zoodanige wijze tot de begrafenis voorbereid, dat men het met behoud der kleederen de beenen zoo veel mogelijk in de heup- en kniegewrichten buigt en met leèren riemen samenbindt — volmaakt zooals men ook met de lijken in den neolithischen tijd deed (zie fig. 349 en 350 en blz. 163 en 164). Door dit samenbinden der beenen en door het lijk daarna in een dierenvel te naaien, meent men — in logische voortzetting der meening, waarom de doode niet door den ingang der hut, doch door een vooraf gemaakt gat uit de hut moet gedragen worden — dat de geest op deze wijze in het lichaam van den afgestorvene moet blijven en niet zal kunnen ontsnappen, om het den levenden lastig te maken. Dit zijn alles middelen tot afweer, die van het standpunt van den naïven natuurmensch met zijne opvattingen van den machtigen invloed der geestenwereld op het wel en