Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maken, den brengers tabak aanbiedt. Het stuk hout wordt nu den houtsnijder gegeven, die zich er mede in den schaduw van een nabijstaanden boom neerzet en met werken begint. Terwijl hij ijverig aan het snijden is, voeren de dorpsgenooten zangen en dansen uit, die men „kojop" noemt. Zulk een gezang, dat op de dooden betrekking heeft, moge hier als proeve hunner taal een plaats vinden ; het luidt:

Ei wuo, pombesso randisa Gij dooden, gaat vooruit op het meer rip o kwiri De wolken trekken op,

marinbo kora Verstrooit ze en ik vaar af,

ei wu je De wolken trekken op,

rip o kwiri Gaat vooruit op het meer

pombesso randisa Verstrooit ze en ik vaar af.

maribo kora

Dit gezang duurt zoolang totdat het beeld gereed is. Dan zet men het uit paarlmoer gesneden oogen in, waarna onder het uitspreken van tooverspreuken het beeld heen en weêr geschud en toegesproken wordt, in de meening, dat de ziel van den afgestorvene, dien het moet voorstellen, zijn zetel er nu in opslaat. Op deze laatste plechtigheid volgt een maal, dat de aanwezigen, met de beenen kruislings op den grond gezeten, nuttigen en uit bananenbladen is bereid.

In alle moeielijke levensomstandigheden richt men zich het eerst tot den huisgod, den konvar, om hulp en raad. Met een weinig voedsel of een stukje tabak, om den geest van den afgestorvene gunstig te stemmen, hurkt de om raad vragende vóór hem neêr, legt het offer vóór hem op den grond en deelt hem zijne wenschen mede. Als de vrager daarbij niest, siddert of een anderen lichamelijken prikkel ondervindt, geldt dit voor een ongunstig teeken en de zaak, waarover het gaat, zal geen voortgang hebben, omdat de geest er tegen is.

De taal der Papoea's vertoont ons hetzelfde primitieve karakter als die der Eskimo's en van andere steentijdmenschen van den tegenwoordigen tijd; zij kent nl. geen verzamelwoorden, doch bezit daarvoor in de plaats een overvloed van woorden voor alle dieren en vruchten, waarvan zij leven. \ oor de verschillende toestanden van rijp-

Sluiten