Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verblijf hebben opgegeten. Zulk eene vernietiging van het individueele bestaan der ziel is het verschrikkelijkste, dat de voortijd kende.

Voor allen, die verlangden dat hunne ziel zou voortleven, moest de bedreiging van den voortijd, nog bij Homerus bekend, dat hunne lijken zullen worden weggeworpen als prooi voor de honden en vogels, verschrikkelijk zijn, want daarmede wilde men immers de wraakzucht zóó volkomen bevredigen, dat men met het leven van het lichaam ook nog het vrije leven der ziel vernietigde.

Om den moed en de kracht van den overwonnen vijand in zich op te nemen, at men hem vroeger op; doch men deed dit ook somtijds met een godvruchtige bedoeling, „men at iemand uit liefde op", in de meening, dat de ziel van den afgestorvene daardoor het best hare zelfstandigheid zou verliezen en zou bijdragen tot versterking der ziel van de overlevenden der zelfde familie. Eindelijk heeft men ook niet overal de opname van het lijk in een dierlijk lichaam onder alle omstandigheden als een vernietiging der betreffende ziel gehouden, zooals dit nog bij de Grieken en vele andere volken het geval was. Men kon zich veeleer er mede troosten, dat de ziel in het dier voortleefde. Bij den arischen stam der oud-Perzen stond bijv. zooals wij hebben gezien, de hond in zeer groot aanzien, en verheugde hij zich in een zorgvuldige verpleging van den kant der menschen, daar hij zulk een „zielendier" was, dat de zielen der afgestorvenen in zich opnam. Daarom hield men bij genoemden volksstam aan den stervende een hond voor het gezicht en het lijk mocht niet met aarde bedekt worden, opdat het door de talrijke rondzwervende honden — de afstammelingen van den jakhals, die deze gewoonte hunner wilde voorouders ook in tammen staat hadden behouden — zou opgegeten worden.

Evenals men in vroeger tijden de geesten van de nederzettingen der levenden trachtte weg te lokken en deze in goede luim trachtte te houden door op het veld vruchten te laten staan, zoo behoort het vasten en den dag heiligen, d. i. het zich ter hunner eere van allen arbeid onthouden, het vieren, tot de oudste godsdienstige gebruiken,

É

Sluiten