Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

god Tius en ook nog aan Odin, die in diens plaats kwam, den bok aan Thor of Donnar, het everzwijn en het rund aan Frey, het varken aan Freya, het ram aan Heimdall, enz.

Nog later vond men het voldoende om, in plaats van dieren, offerkoeken en gebak, waaraan men den vorm der gewijde dieren gaf, aan den God te offeren. Aldus zijn de „Hörnchen" en de „Bretzeln" der Duitschers nog de laatste overblijfsels van de offerkoeken onzer voorvaderen, die bepaalde zinnebeeldige figuren voorstellen. *) Maar langen tijd nog, toen deze gebruiken, als het uitvloeisel van een zachter denkenden tijd, reeds door het gansche volk werden gevolgd, offerde men, behalve de misdadigers, alle niet tot den stam behoorende kriicrseevansfe-

J o o ö

1) Op het platteland van België, vooral in West-Vlaanderen, waar het Katholicisme veel minder toegang geeft tot nieuwere, verlichte denkbeelden, is het op Allerheiligen en Allerzielen (de beide eerste dagen van November) gebruik, boekweitkoeken te bakken, die ter eere der „arme zieltjes" door alle huisgenooten met smaak genuttigd worden.

Men gelooft daar, dat op Allerzielen de „arme zieltjes" uit hunne graven opstijgen, om de levenden weêr op te zoeken. Het eenvoudige landvolk gelooft daar, dat iedere in vroomheid verorberde koek een lijdend zieltje uit het vagevuur verlost.

Eigenaardig is het zeker, dat deze gewoonte, waarvan de briefschrijver Peter ons verhaalt in „Het Vaderland van 4 Nov. 1907", en die Camille Lemonnier in een zijner romans, Le vent dans les moulins, inlaschte, reeds bij onze germaansche voorouders bestond, bij wie boekweitkoeken het feestgerecht waren, maar nog merkwaardiger, dat ook de bedoeling, waarmede dit feestgerecht in den germaanschen tijd werd gebruikt, tot op onzen tijd gehandhaaft bleef.

Ook in ons land bestaan vooral op het platteland velerlei gebruiken, die als overblijfselen uit den germaanschen tijd nog heden in zwang zijn. Zoo werd op Palmzondag van het jaar 1906 te Utrecht een tentoonstelling gehouden van Palmpaasclien, waarop o.a. te zien waren vlecht koeken en koekkransen uit Gelderland, Overijsel en Drente, die horizontaal of verticaal op een stokje worden rondgedragen. Deze koeken zijn waarschijnlijk voortgekomen uit een gebak, in den vorm van een haartop met gedraaide vlechten, en herinneren ons aan een oudheidensch gebruik. In den oud-germaanschen tijd werden nl. de dienaren van den overledene mede verbrand; later werd, in plaats van den geheelen mensch, alleen een deel, nl. diens haar geofferd; nog later verving men dit door een symbool, den vlechtkoek. Met zekerheid zijn ook de Sinterklaaskoeken zoodanige herinneringen uit die lang vervlogen tijden. Het Sinterklaasfeest was oorspronkelijk een germaansch heidensch feest, dat eertijds door de eerste predikers van het Christendom behouden is en dienstbaar is gemaakt aan de vereering Gods en zijner heiligen.

In de gebruiken van dit feest, dat nu gewijd heet te zijn aan den Heiligen Nikolaas, vindt men dan ook tal van elementen, die slechts uit de germaansche godenleer te verklaren zijn. Hier wijzen wij slechts op de Sinterklaaskoeken in den vorm van allerlei dieren, die eene herinnering zijn aan de heidensche offerdieren.

Het zwaantje aan de palmpaasch herinnert aan den zwaan, die aan Njördr, den noorschen lentegod der wateren en adn Nerthus, de germaansche godin der vruchtbaarheid of de lentegodin, gewijd was.

Noot v. d. bew.

Sluiten