Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het midden, 5 ü 8 cM. breed, witzijdeachtig in het begin, later bedekt niet opstaande schubben van een bruin purperen kleur. Steel niet slank, naar boven gaand smaller, hol, vlokkig, schubbig, met een ring die stevig en weinig bewegelijk is. Plaatjes geelwit, door aanraking spoedig roodachtig wordend, later rostbruin en eindelijk donkerbruin, buikig, vrij, Yleesch wit, spoedig geelachtig rood, later roest en zwartbruin ; onaangenaam riekend. Zij komt voor op run in serres en tuinen, onder populieren en in het gras onder pijnboomen. In ons land een enkele maal gevonden ; zij is giftig.

7. L. meleagris (Sow.) afgeleid van Mdeagris dat parelhoen wil zeggen, naar aanleiding der gevlekte oppervlakte van den hoed.

Hoed klokvormig, dikwijls afgeplat op den top, donzig, fijn bruin gekorreld, later grijs rose en bedekt met kleine staande purperbruine vlokken. Steel niet slank, 5 a li cM. breed, spilvormig, gevuld, bedekt met zwartbruine punten, de ring scheurt spoedig en duurt kort. Plaatjes wit, lateilicht rose of roodachtig, buikig, opeen, vrij. Yleesch wit, dan rose of rood, weinig reuk met een echte zwammen, maar geen onaangenamen smaak. Komt in warme kassen

op run voor.

8. L. Acutesquamosa (Weinm.)

Syn.: Ag. aeuleatus-Vitt., A. asperaA en S., Mariae-Klotsch. A. trichoc toïdes-Batsch.

Hoed halfrond, later uitgespreid, 6 a 8 cM., licht bruin, eerst vlokkig, dan met opstaande en scherpe punten.

Steel 7 a 10 cM. lang, knollig met vezelige stof gevuld, later hol, wit aan den top, bedekt met schubben die zoodanig geplaatst zijn dat zij op ringen gelijken.

Lepiota acutesquamosa.

Sluiten