Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I)e plaatjes zijn wit, weinig talrijk, afloopend, dun, bochtig, veelal door aderen verbonden.

Het vleesch is dun, wit, hvgrophaan, zonder reuk of smaak en volgens Quélet eene délicatesse zoolang zij jong is, Gillet noemt haar taai.

Op dezelfde plekken te vinden als de zoo even genoemde „virgineus".

Van deze soort komt een varieteit „cucullatus" voor waarvan de kleine hoed bolrond is.

III. Steel glad. Hoed vochtig, kleverig, droog zijnde, glimmend, zelden vlokkig of schubbig. (.Hygrocybe.)

8. H. ceraceus (Fr.) afgeleid van cera of was, n. a. van het voorkomen.

Syn. : Hygrocybe ceracea-Wulf.

De hoed is weinig vleezig, bol, stomp, dan vlak, fijn gestreept aan den rand, onbehaard, glad, kleverig, glimmend, wasgeel, soms donkerder in het midden, 2 a 3 cM. breed, breekbaar.

De steel is pijpachtig, soms gebogen en saamgedrukt, ongelijk, onderaan smaller, onbehaard, glimmend, licht geel of eenkleurig met den hoed, maar lichter aan den voet, 3 a 5 cM. lang.

De plaatjes zijn niet talrijk, afloopend, breed, bijna driehoekig, door aderen verbonden, geel of eenkleurig met den hoed maar bleeker.

Reuk en smaak onbeduidend, door Michael als eetbaar genoemd.

In weilanden, tusschen mos in bosschen, gedurende zomer en herfst overal voorkomend.

9. H. coccineus (Fr.) afgeleid van coccineus of scharlaken, n. a. van den hoed.

Syn. : Ag. eoccineus-Schaeff., Ag. miniatus-Scop., Ag. coccineus-Bull., Hygrocybe coccinea-Fr.

De hoed is weinig vleezig, bol of bol klokvormig, stomp en meer of minder uitgespreid, onregelmatig, glad, onbe-