is toegevoegd aan uw favorieten.

De paddenstoelen van Nederland

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het vleesch is wit, stevig, reukeloos, maar volgens Quélet niet als voedsel aan te bevelen alhoewel sommige auteurs haar eetbaar noemen.

De melk is overvloedig, wit, scherp, maar niet zóó bijtend als die van „piperatus" waarmede zij wel verwisseld wordt.

In het najaar in weilanden, langs wegen, in bosschen vooral onder populieren en wilgen in groepjes en zodevormend, vrij algemeen voorkomend. Van deze soort bestaat een variëteit „pubescens" die minder groot is, een bleek geelachtigen hoed heeft met roode tint en een harigen rand bezit. De schijf is onbehaard en glimmend. In weilanden te vinden.

10. L. torminosus (Schaeff.) afgeleid van tormina of kramp, n. a. van de kramp verwekkende eigenschap deizwam.

Syn. : Ag. necator-Bull., Ag. piperatus-L.

De hoed is vleezig, breekbaar, bol, dan ingedrukt, trechtervormig, glad, vochtig, kleverig, vleeschrood, bleekrood, licht oranje, met meer of minder duidelijke donkerder gordels, de rand is met een dik dons bedekt, omgerold en als het ware geboord met een harige massa, 3 a 7 cM. breed.

De steel is gevuld, dan hol, gelijk of onderaan iets smaller, wit- of roodachtig, dat wil zeggen gelijkkleurig met de plaatjes, maar bleeker, 3 a 6 cM. lang en 2 a 3 cM. dik.

De plaatjes zijn zeer talrijk, dun, smal, een weinig afgerond aan den steel, scherp aan de randzijde, aangegroeid, iets afloopend, witachtig of vuilgeel.

Het vleesch is witachtig, zeer stevig, de melk eveneens wit en zeer scherp. Volgens de meeste auteurs is deze zwam giftig en verwekt zij hevige krampen, in Zweden wordt zij volgens Fries ongestraft gegeten.

Van Juli tot October is zij overal in bosschen op beschaduwde plekken, eenzaam of in troepen te vinden.

11. L. pubescens (Fr.) afgeleid van pubescere of harig worden, n. a. van den harigen hoed.

De hoed is dun, vleezig, buigzaam, ingedrukt, breed