Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Van Juli tot October in bossehen op mos en tusschen afgevallen bladeren te vinden. Algemeen voorkomend.

Deze soort gelijkt veel op „urens" heeft evenzoo een zeer brandenden smaak en moet als verdacht beschouwd worden.

3. M. oreades (Fr.) afgeleid van ipeiU? of bergnymph, n. a. van haar gewoonte om in kringen te groeien.

Syn. : Ag. pseudo-mousseron-Bull., M. caryophylléusSchaefï.

De hoed is dun vleezig, buigzaam, eerst bolrond of bol kegelvormig, dan bol-vlak, iets bultig, onbehaard, glimmend, ledergeel, licht roodbruin, het midden donkerder en de rand in vochtigen toestand gestreept, 1 a 6 cM. breed.

De steel is zeer taai, gevuld, cylindrisch, bovenaan iets uitgezet, onderaan iets smaller, doch ook wel eens iets gezwollen, bleekgeel, witachtig, met een vezelig ruw laagje bedekt, 5 a 8 cM. lang en langer wanneer hij tusschen hoog gras groeit, 3 a 4 mM. dik.

De plaatjes zijn weinig talrijk, breed, vrij, staan van elkaar af, witachtig of bleekgeel gekleurd, donkerder op de randen.

Het vleesch is wit, vrij hard, riekt zwak doch gedroogd zijnde sterk.

Men vindt deze soort in lente, zomer en herfst in weiden, langs open wegen, op grazige plekken in bossehen en meestal in halve kringen, zeer algemeen voorkomend.

Deze soort is eetbaar en vooral jong zijnde als kruiderij zeer gezocht.

4. M. plancus (Fr.) afgeleid van flancus of plat.

De hoed is vleezig-lederachtig, buigzaam, slap, vlak, ingedrukt, stomp, glad, roodbruin, verbleekend, 2 cM. ongeveer breed.

De steel is hol, taai, ongelijk, smaller onderaan, gedraaid, bleeker dan den hoed

De plaatjes staan van elkaar, zijn bijna vrij, bruinachtig, veel donkerder dan den hoed.

Tusschen doode bladeren, alleen bij Naarden gevonden.

Sluiten