Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Claudopus variabilia.

1. C. variabilis (Pers.)

Syn.: Ag. sessilis-Bull.

De hoed is bijna vliezig, eerst achterover liggend, lateiterug gebogen, dikwijls gevormd als een omgekeerde schaal, eindelijk bol, afgerond of uitgerand aan den voet, bochtig, wit, donzig, 1 a 2 cM. breed.

De steel is kort, krom en behaard.

De plaatjes staan wijd uiteen, zijn breed, dun, eerst wit, dan rossig, rood of roestkleurig naar den rand of één excentrisch punt samenloopend.

Het vleesch is wit, zeer dun.

Deze kleine soort is op boomstronken en afgevallen takken te vinden, veelal zodevormend en algemeen van. Augustus tot November voorkomend.

2. C. depluens (Batsch.)

De hoed is bijna vliezig, zacht, eerst bol, dan neemt hij verschillende vormen aan, achterover liggend, dan teruggebogen, gestreept op den rand, wit-grijsachtig, zijdeachtig, donzig van achteren, 1 a 2 cM. breed.

De steel is kort, krom excentrisch of bijna ontbrekend.

De plaatjes zijn vrij talrijk, aan beide uiteinden scherp, grijsrood of rossig.

Het vleesch is dun, waterig, breekbaar.

Gedurende zomer en herfst op den grond en onde rottende stammen, niet algemeen.

3. C. byssisedus (P.)

De hoed is bijna vliezig, achterover liggend, dan hori-

Sluiten