Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De plaatjes zijn talrijk, buikig, aangegroeid, olijfkleurig, < la 11 licht kaneel- en roestkleurig.

Het vleesch is bleek, riekt naar waterkers en smaakt scherp.

In den herfst in bosschen voorkomend, niet algemeen.

28. C. semi sanguineus (Fries.)

De hoed is vleezig, stomp, bultig in het midden, zijdeachtig, daarna glad, kaneelkleurig, bruin, 4 a 6 cM. breed.

De steel is gevuld, dik, lichtbruin, naar onderen rood.

De plaatjes zijn aangehecht, breed, min of meer uiteen staand, schitterend bloedrood.

De sporen zijn okerkleurig.

Het vleesch is geel of roodachtig en riekt naar ramenas.

In den herfst op gras en mos in open gazons tusschen liet geboomte. Deze zwam is onder nr. 1519 vermeld in Fl. Bat

5de onderafd. Telamonia.

De hoed is vochtig, meer of minder vleezig, eerst kaal of met witte vezels van het velum partiale bedekt.

De steel is stevig, vezelig, dikwijls knollig. Het gordijn is wit, spinnewebachtig, als een zachten gordel om den steel voorkomend.

De plaatjes zijn breed, aangehecht, uitgerand en staan uiteen.

Oneetbare op den grond groeiende zwammen.

29. C. bivelus (Fr.) afgeleid van bis of tweemaal en vélu of sluier.

De hoed is vleezig, bol-vlak, stomp, zacht, bruin roest-: kleurig, dikwijls met donkere vlekken in het midden, geelachtig, onbehaard of een weinig zijdeachtig aan den rand, glimmend, vochtig, 6 a 14 cM. breed.

De steel is gevuld, dik, dan kort en knollig, dan weer lang en van ouderen dunner, vuil wit, iets onder het midden draagt hij een witten vergankelijken ring waarboven soms overblijfselen van een roodachtig gordijn.

Sluiten