Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van het gordijn, ook komt hij iets knollig of wortelachtig voor.

De plaatjes zijn breed, bol of buikig, aangehecht, talrijk, eenkleurig niet den hoed, roestkleurig, violetkleurig gewasschen, bleeker op de snede.

Het vleesch is dik, stevig en in kleur op den hoed gelijkend, reukeloos en aangenaam smakend, eetbaar maar niet sappig.

In bosschen tusschen mos, op den kalen grond, aan den voet van boomen, eenzaam of in kleine troepen, gedurende zomer en herfst te vinden.

46. C. colus (Fk.) afgeleid van col au of spinrokken.

De hoed is weinig vleezig, bol, stomp, bultig, glad, onbehaard, zacht op het gevoel, kastanje bruin, 2 a 5 cM. breed.

De steel is lang, (7 a 10 cM.) wordt naar boven toe dunner, naakt, vezelig gevuld, dan hol, een weinig knollig, aan den voet rood. Het gordijn is witachtig, dan geel roodachtig gekleurd door de daarop gevallen sporen.

De plaatjes staan vrij dicht op elkaar, zijn geaderd, scherp aan de randzijde, iets uitgerand bij den steel, aangehecht, bleek kaneelkleurig, dan rood, 6 mM. breed.

Het mycelium is rood.

Leeft in het najaar in bosschen en is in ons land in naaldbosschen bij Apeldoorn aangetroffen.

47. C. rigens (Fr.) afgeleid van rigere of zich recht houden.

De hoed is weinig vleezig, kegelvormig, dan bol, stomp, glad, onbehaard, donker geelachtig in liet midden, roodgeel aan den rand 2 a 5 cM. breed.

De steel is kraakbeenachtig, stijf, onbehaard, wit, gewoonlijk spilvormig of dunner onderaan, soms een weinig dikker aan den voet, 6 a 7 cM. lang. Het gordijn is onbeteekenend.

De plaatjes staan wijd uiteen, zijn breed, aangegroeid, bijna afloopend, eerst kleikleurig, dan donker kaneelkleurig.

In het najaar algemeen in naaldbosschen te vinden.

Sluiten