Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

soms ook glad of niet gespleten opperhuid, 10 cM. en

dikwijls meer breed.

De steel is dik, stevig, hol of met een vlokkig merg gevuld, wit, licht rosekleurig aan den voet, bijna altijd krom, 5 a 14 cM. lang en 2 a 6 cM. dik.

De ring is dubbel, zeer breed, bijna boven aan den steel hangend, de onderste is minder breed.

De plaatjes zijn talrijk, vrij, bij den rand breeder, eerst roomkleurig, dan rose of lila-achtig gekleurd, dan biuin violetachtig, op het laatst bruin en droog.

Het vleesch is wit en verandert niet wanneer het gedrukt wordt, reuk en smaak zijn aangenaam, als delicatesse gezocht, doch niet zoo geurig en malsch als ,,campestris".

Van Juli tot November is deze zwam in weilanden en op grazige plekken 111 bosschen te vinden, meestal in groepen, in sommige streken gemeen, in andere zeldzaam.

2. P. pratensis (Schaeff.) afgeleid van pratum of weide.

Syn.: Ag. spodophvllus-Krombh.

De hoed is vleezig, bolrond, dan halfrond of bol, uitgespreid, eerst glad of onbehaard, op het laatst schubbig en gebarsten, droog, witachtig of witachtig-aschgrauw,

5 a 6 cM. breed.

De steel is cylindrisch, gevuld, naakt, stevig, iets dikker aan den voet, wit, gewoonlijk korter dan de hoed breed is.

De plaatjes zijn talrijk, vrij, achteraan afgerond, smaller en spitser aan den rand, aschgrauw, later bruin.

De ring is wit, vliezig, enkel en vergankelijk.

Het vleesch is dik, wit, verandert niet van kleur, reuk en smaak zijn aangenaam. Eetbaar.

Komt in zomer en herfst in weilanden en bosschen voor, doch is niet algemeen.

3. P. campestris (Fr.) afgeleid van campus of veld.

De hoed is vleezig, bolrond, dan bol, bol-vlak, droog, witachtig, rossig of iets bruinachtig-geel, glad of \ lokkig, schubbig, gemakkelijk te schillen, 6 a 14 cM. breed.

Sluiten