Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De steel is vast, stevig, kegelvormig, dan bijna gelijk of iets buikig, geheel of alleen aan den top levendig rood purperkleurig, bruinachtig of olijfkleurig aan den voet, bovenaan dikwijls rood netvormig geaderd en grijs-geelachtig of zwartachtig onderaan, 10 a 12 cM. lang.

De poriën zijn klein, hoekig, getand, bleek geel, door de minste aanraking worden zij blauw.

De buisjes zijn aangegroeid, kort en geel.

Het vleesch van den hoed is witachtig, door inwerking van de lucht meer of minder blauwachtig bij de buisjes, dat van den steel is wit-geelachtig doch blauw wordend, op het laatst kleurt het zich vuil grijsachtig.

Reuk en smaak zijn onbeteekenend, volgens QuÉlet is zij gevaarlijk giftig.

Zij komt van Augustus tot October algemeen in bosschen voor.

19. B. pachypus (Fa.) afgeleid van dik en T3C*

of voet.

Syn.: B. picroides-Rostk. ; B. elatus-Pers.

De hoed is kussenvormig, iets viltig, later vlak, de rand is dikwijls ongelijk en golvend, roomkleurig, vuil grijs, grauw bruin, soms wit, later onbehaard, 9 a 15 cM. breed.

De steel is dik. stevig, netvormig geaderd, geel, ten minste onder de buisjes, onderaan meer of minder rood of roodachtig, bruinachtig aan den voet, eerst is hij kort, bijna eivormig, op het laatst wordt hij langer en wordt dan meer cylindriseh of onregelmatig buikig, 15 a 35 mM. dik.

De poriën zijn klein, rond, witachtig, dan citroengeel, later groenachtig, door drukking blauw of groenachtig wordend.

De buisjes zijn geelachtig, vrij lang, bij den steel korter.

Het vleesch van den hoed is witachtig-geel, kleurt snel blauw, dat van den steel is veelal zwavelgeel gekleurd, wordt eveneens blauw, doch op het laatst weer wit- of grijsachtig met een vooral aan den voet purperachtige tint.

De reuk is doordringend en onaangenaam, de smaak bitter; zij is giftig.

Sluiten