Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C. Buisjes vrij, eerst wit, dan geelachtig. Steel nimmer netvormig geaderd, spoedig hol. Poriën klem en rond. Sporen wit.

31. B. cyanescens (Bull.) afgeleid van cyaneus of blauw. Syn. : B. constrictus-Pers.; B. lacteus-Lév. ; B. obscu-

ratus-S. S.

De hoed is bol of bol. vlak, een weinig viltig of schubbig-vlokkig, witgeelachtig, grijs-geelachtig, dof, 5 a 12 cM. breed.

De steel is dik, breekbaar, bovenaan een weinig dunner en in het midden buikig, wit en glad aan den top, onderaan viltigvezelig, in de jeugd van een zeer dunnen sluier voorzien, 5 a 7 cM. lang.

De poriën zijn klein,

rond, gelijk, wit, bleeker Boletus cyanescens.

of geelachtig-wit, worden

door drukking blauw. De buisjes zijn vrij.

Het vleesch is vast, wit, kleurt door de lucht op gebroken plaatsen onmiddelijk donkerblauw. Reuk- en smakeloos. Sommige schrijvers noemen haar eetbaar, anderen verdacht, men gebruike haar dus liever niet.

Op zandigen bodem in bosschen, algemeen van Juli tot September voorkomend.

32. B. castaneus (Bull.) afgeleid van castanea of kastanje.

De hoed is halfrond, dan vlak, later ingedrukt, de rand meer of minder gebogen, stevig, dof, fluweelachtig en zacht kastanjebruin 5 a 9 cM. breed.

De steel is gevuld, dan hol, cylindrisch, ook wel knolvormig aan den voet, gewoonlijk dunner aan den top, glad, eenkleurig met den hoed of iets bleeker, 2 a 4 cM. lang.

Sluiten