is toegevoegd aan uw favorieten.

De paddenstoelen van Nederland

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

5. M. serpens (Tode) afgeleid van serpere of kruipen.

Het vruchtlichaam is vliezig, dun, aangegroeid, onbehaard, bleek, roodachtig, door een wit byssusaehtigen rand omringd.

De plooien vertoonen zich eerst als rimpels, dan tot gave, hoekige, roodachtige poriën samengevloeid.

Op rottend dennenhout.

6. M. lacrymans (Jacq.) afgeleid van lacryma of traan, n. a. van de druppels die als tranen op het vruchtlichaam liggen.

Svn. : M. destruens-Pers. ; M. vastator-Tode.

Het vruchtlichaam is teruggeslagen, zeer wijd uitgespreid, versch zijnde vleezig, sponzig, vliezig in drogen tijd, vochtig, vuil witachtig, geel roestkleurig of bruinachtig van onderen, met dikken witten katoenachtigen rand : wanneer zij in vollen groei is veelal met waterachtige druppels bedekt.

De vruchtbare oppervlakte is donker oranje of geel roestkleurig, de plooien vormen ongelijke, ondiepe, netvormige holten. Deze zwam die voornamelijk aan het houtwerk in vochtige huizen voorkomt, is zeer schadelijk omdat haar mycelium diep daarin dringt en oorzaak is der totale vernieling, in drogen tijd riekt zij zeer onaangenaam.

Bestrijking van het aangetaste hout met een verzadigde en warme oplossing van koper vitriool vernietigt de sporen.

SOLENIA.

De naam is ontleend aan het woord solen dat buis beteekent en wel omdat de zwam bestaat uit enkele kleine buisjes die vliezig zijn, overeind staan en onder elkander vrij zijn. Een eigenlijk vrucht lichaam ontwikkelt zich niet.

1. S. candida (P.) afgeleid van candidus of wit.

De buisjes zijn wit, rolrond, naakt, zeer klein, zij komen alhoewel zeldzaam op rottend beukenhout voor.