is toegevoegd aan uw favorieten.

De paddenstoelen van Nederland

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De stam is kort, vrij dik, zeer vertakt ; de takjes zijn gevuld, verdikt, rimpelig, stomp en van verschillenden vorm.

Gedurende de herfst op vochtige, grazige plekken in bosschen te vinden en in Frankrijk als voedsel zeer gezocht.

7. C. cristata (P.) afgeleid van crista of kam.

Het vruchtlichaam is wit, taai, glad, zeer vertakt en 6 cM. hoog.

De takken zijn bovenaan verbreed en in dunne kammen met puntige tanden verdeeld.

Gedurende zomer en herfst in schaduwrijke bosschen

te vinden.

8. C. rugosa (Bull.) afgeleid van ruga of ruw.

Het vruchtlichaam is taai, niet zeer vertakt, vuil wit, rimpelig.

De takken zijn zeer verschillend van vorm, kort en stomp. In het najaar op grazige plekken overal voorkomend.

9. C. Krombholzii (Fr.) genaamd naar den Duitschen mycoloog Julius Vincenz von Krombholz.

Syn. : Cl. coralloides-Bull.

Het vruchtlichaam is zeer teer, wit, glad, weinig vertakt,

2 cM. hoog.

De meestal kromme takjes zijn stomp en plat. Gedurende zomer en herfst, in bosschen zodevormend te vinden en vrij algemeen voorkomend.

10. C. Kunzei (Fr.) genaamd naar den mycoloog Kunze. Het vrucht lichaam is vrij teer, helder wit, zeer vertakt,

6 cM. hoog.

De stam is kort met dicht opeen staande takken die weder in gladde, kale, recht opstaande takjes verdeeld worden. In vochtige bosschen gedurende den herfst voorkomend.

11. C. pyxidata (P.) afgeleid van pyxis of doos.

Het vruchtlichaam is witachtig, dan geel, later een weinig roodachtig, 8 a 12 cM. hoog.