Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Op grazige plekken en in heiden te vinden, algemeen voorkomend.

24. C. argillacea (Fr.) afgeleid van argilla of klei.

Het vruchtlichaam is kleikleurig, breekbaar, een weinig

rimpelig, 5 cM. hoog en 3 a 4 mM. breed.

De knotsjes zijn gaaf, stomp, cvlindrisch, van onderen goudgeel, bovenaan smaller, onverdeeld.

Op kleigrond, in bosschen, tusschen mos en gras, gedurende den herfst algemeen voorkomend.

25. C. vermicuiaris (Scop.) afgeleid van vermis of worm.

Het vruchtlichaam is breekbaar, wit, dikwijls bochtig

of krom en tot 8 cM. hoog.

De knotsjes zijn gevuld, gaaf, cvlindrisch en priemvormig.

In het najaar op grazige plekken algemeen voorkomend.

26. C. fragiïïs (Holmsk.) of teer, breekbaar.

Svn. : Cl. cvlindrica-Bull.

Het vruchtlichaam is zeer breekbaar, gewoonlijk wit, soms geelachtig, 4 a 5 cM. hoog, 4 a 6 cM. breed en wit aan den voet.

De knotsjes zijn hol, langwerpig, onderaan dunner.

Op grazige plekken in bosschen, op heiden, zodevormend voorkomend.

c. Onvertakte en soms aan den voet paars wijs verbonden soorten.

21. C. conioria (Holmsk.) afgeleid van contordere of draaien.

Het vruchtlichaam is gevuld, sponsachtig, vleezig, spatelvormig, saamgedrukt, dan weder gedraaid of gekromd, berijpt, geelachtig, rimpelig, 2 cM. hoog en 6 mM. dik.

Op afgevallen bladeren en rottende takken, vooral aan die van berken, in kleine troepjes, alleen in het late najaar te vinden, doch niet algemeen voorkomend.

Sluiten