Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gelijkmatig mengsel is ontstaan. Na eenige bekoeling voegt men hierbij 4 deelen Terebinthina laricina, daarna 8 deelen Acidum aceticum en vult met water aan tot 100 deelen.

Sneller en even goed, naar eene langdurige ervaring ons leerde, bereidt men de zalf naar het voorschrift van het Supplement door in een getarreerde schaal op een zacht vuur onder omroeren te smelten 4 deelen Colophonium, daarbij te voegen 16 deelen Pix solida en 4 deelen Terebinthina laricina en dan een mengsel van 16 deelen Farina tritici en 50 deelen kokend water; zoodra een homogeen mengsel is verkregen neemt men de schaal van het vuur, voegt daarbij 8 deelen azijnzuur en kokend water tot 100 deelen.

Bij deze laatste bereidingswijze is het noodzakelijk, dat men voortdurend in de zalf roert.

De bereidingswijze van de Pharmacopee heeft voor, dat de kans op ontleding van de hars en de pik bij het verhitten met water geringer is, dan volgens de tweede bereidingswijze.

Volgens beide bereidingswijzen verkrijgt men een bruine zalf, die aan de lucht spoedig hard wordt en dan onbruikbaar is; de Pharmacopee schrijft daarom ook voor, dat Hoofdzeerzalf niet in voorraad gehouden mag worden. Door de zalf onder azijn te bewaren blijft zij maanden lang bruikbaar; men zal goed doen dit den patiënt mede te deelen.

Unguentum resinosum flavum, Unguentum Althaeae, bereidt men door op een zandbad te smelten 8 deelen Colophonium, daarbij te voegen 18 deelen Cera flava en als ook deze gesmolten is, over te brengen op een waterbad en toe te voegen 70 deelen Sesamolie; wanneer het mengsel gecoleerd en gedeeltelijk bekoeld is, voegt men er bij 4 deelen Terebinthina laricina.

Deze zalf is nog het meest bekend onder den naam Althaeazalf.

Omtrent de herkomst van dien naam vermelden C o s t e r en Opwyrda1): „Oudtijds bestond er een „Unguentum Althaeae" in de apotheken, dat bereid werd, door een afkooksel van radix Althaeae met Axungia te vermengen, waarbij het water door verdamping verwijderd werd, terwijl de zalf eindelijk met kurkuma gekleurd werd.

„De weinige waarde van dit praeparaat, hetwelk onder de vreemd-

!) Handleiding bij het gebruik der tweede Uitgave der Pharmacopoea Neerlandica. Deel IV, pag. 507.

Sluiten