Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

89. Iemand betaalde een rekening van f 24.50 met kwartjes en dubbeltjes, van elke soort evenveel. Hoeveel geldstukken had hij ?

Geeft hij i kwartje en i dribbeltje, dan heeft hij reeds 35 cent van de rekening betaald. En dan: hoe vaak is 35 ct. begrepen op f 24.50?

90. Iemand koopt roggebrooden van 32 cent en tanvebrooden van 40 cent, te zamen 12 stuks. Als hij f 4.40 moet betalen, hoeveel tanvebrooden kocht hij dan ?

Onderstel eens, dat hij alleen roggebrooden had gekocht, 12 stuks dus. Dan betaalde hij geen f 4.40. Vraag dan hoe dat komt, enz

Ge kunt ook beginnen inet te onderstellen dat alle 12 tarwebrooden waren.

91. Ken daglooner kan in 25 werkdagen f 15.00 ontvangen en een voer hooi. Als zijn patroon hem elke week f 6.60 wilde uitkeeren, hoe duur wordt dan het hooi gerekend?

Uit het weekloon kunt ge het dagloon bepalen, dus ook het loon van 25 dagen.

92. Iemand werkt in de eerste drie dagen van een week zooveel meer dan 30 uur als de laatste 3 dagen minder dan 25. Als het uurloon 18 cent bedraagt, hoeveel had hij dan kunnen ontvangen als hij elkeri dag 12 uur gewerkt had?

Vraag eerst, hoeveel uren hij gewerkt heeft. De „overurenw van de eerste 3 dagen staan gelijk met het verzuim van de laatste 3.

93» f 275 wordt betaald met biljetten van f 10 en van f25, in 't geheel 14 stuks. Hoeveel had men van elke soort?

Zie no. 90.

94. Twee broers hebben te zamen f 80 verdiend. Als de oudste f 5 en de jongste f 20 meer ontvangen had, dan had de oudste juist dubbel zooveel geld als de jongste. Hoeveel ontving elk ?

Als dat ... en als dat # . . zoo was, hoeveel hadden ze dan verdiend ? Samen immers f 80 -f f 5 -f f 20. Zie som 80 of 84 of 86 of 89.

95- Een jongen begint te sparen, de eerste week van het jaar 1 cent, de tweede week 3 cent, en zoo vervolgens elke week 2 centen meer. Hoeveel heeft hij in een jaar bijeen gepot ?

Dat kunt ge optellen, een sommetje van 52 getallen. Maar vraag u zelf eens af, hoeveel hij bij elkaar krijgt :

in de ie en in de 52e week samen,

v 1) 2e V n n 5ie Tl fl I n n 3e n n ri 5oe « n »

en probeer het dan op een heel eenvoudige manier te vinden.

Sluiten