Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

g6. Een jongen spaart, de eerste week 5 cent, en elke week 2^ cent meer. Hij eindigt als hij juist f 1 in de laatste week terzijde heeft gelegd. Hoeveel bezit hij ?

Als de vorige. Eerst echter uitrekenen hoeveel weken hij spaart.

97. Een man bespaart de eerste maand van 't jaar f 1.50, en zoo regelmatig elke maand meer, tot hij de laatste maand van dat jaar f 7 bespaarde. Hoeveel bezat hij toen ?

Optellen, of als som 95. Is 't dan noodig te weten hoeveel hij bespaart in de 2e, 3e maand, enz.

98. Zoek de som der getallen van 4 cijfers, welke men door verplaatsing van de cijfers 1, 2, 3 en 4 kan vormen.

Die getallen zijn 1234, 1243, 1324, 1342. *423» I432> enz- ^us ^ getallen met de 1 vooraan, 6 met de 2, 6 met de 3 en 6 met de 4 vooraan, in t geheel dus 24 getallen. Schrijf ze alle en tel ze dan op. Of kunt ge begrijpen, dat de som gelijk is aan 60 duizenden -f* 6° honderden 60 tienen -{■ 60 eenen ?

99. Twee kippen legden in een jaar samen 250 eieren. Had de eene er 12 meer gelegd, en de andere 19 minder, dan was de verhouding tusschen het aantal eieren van elke kip als 4 tot 5* Hoeveel heeft elke kip gelegd ?

Zie no. 80 en no. 94.

100. Iemand heeft aan 4 personen geld geleend, aan A zooveel maal f 3 als aan B f 2; aan B zoovaak f 3 als aan C f 2 ; aan C zoovaak f 3 als aan D f 2. Als het uitgeleende bedrag in 't geheel f 195 bedraagt, hoeveel is elk dan schuldig?

De hoofdzaak bij deze soort van sommen is, dat men zich de zaken heel goed voorstelt. Ziehier een begin :

Aan A zoovaak f 3 als aan B f2,

„ B „ f 3 „ „ C f 2. enz.

Nu zijn zulke sommen alleen uit te rekenen, als er b.v. staat: Aan A zoovaak f 10 als B f 9 als aan C f 8 enz. Dan kunnen we, bij 't werkelijk verdeelen, aan A eerst f 10 geven, aan B f 9, aan C f 8, en dan weer van voren af, maar in t bovenstaande zou 't zoo moeten : Aan f 3, aan 13 f 2, en dan 13 it'ecr f 3 tegen C f2? Daaruit redt men zich zoo: Geef A 3 X ^ 3» ® 3 X 2« ^us f 9 en ^ 6, dan krijgt C, die f 2 krijgt tegen B f 3, ook 2 X f 2 °f f 4i omdat B 2 X ^ 3 ont" vangt. Dan hebben dus A, B en C in de juiste verhouding dit : de een f 9, de ander f 6, de derde f 4. En betrek er dan D nog in. Waarom moeten we A en B juist 3 maal zooveel geven ?

101. Er worden twee woningen verhuurd voor samen f 140.

Sluiten