Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dat kan men misschien in eenen niet zeggen, maar men berekent het zoo:

i M. = 1000 m.M. (i c. M. = 10 m.M., i d.M. dus 100 m. M., i M. dus iooo m. M.);

i M. M. = ioooo M. = 10000 X 1000 m. M. = 100 kjooo m. M., zegge 10 miljoen m. M.

En dan dit vraagstuk:

300000000 m. M. = K. M. ?

Men deelt eerst door 1000, want 1000 m. M. = 1 M., dus 300000000 m. M. = 300000 M.;

en nog eens door 1000, want 1000 M. = 1 K. M., dus 300000000 111. M. = 300000 M. = 300 K M.

§ 55. Vlaktematen.

Verstaat ge het woord vlakte ? Stel 11 een weiland voor, met slooten er om. Zoo n weide kan vlak zijn, of effen, zonder hoogten en laagten. Maar als we van vlaktematen spreken, dan denken we in t geheel niet aan deze beteekenis van het woord vlak. Neen.

Het land ligt tusschen vier slooten in. Hoe groot is het? vragen we. Maar als we vragen: hoe groot is déze schuur, deze kerk, dan vragen we toch eigenlijk nog naar iets meer, want we denken niet alleen aan de ruimte op den vloer, maar ook aan de hoogte, aan de gansche ruimte dus tusschen de vier wanden en het dak. Daarvan kan bij een weiland geen sprake zijn ; daar hebben we alleen te maken met de ruimte, die door de vier slooten begrensd wordt.

Voor elke gedachte hebben we liefst een afzonderlijk woord, en zoo spreken we

van de oppervlakte van een weide, en van den inhoud van een schuur.

Hoe groot is, wordt er gevraagd, hoe groot is het tafelblad? Met deze woorden vragen we met naar de lengte, niet naar de breedte, met naar de dikte van 't hout, niet naar de massa hout, maar naar de ruimte, welke het blad aanbiedt aan de bovenzijde, m.a.w. naar de oppervlakte van het blad.

Sluiten