Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

8 c.M.

5 c.M.

De redeneering is dan zoo:

a) Omdat de breedte 5 c.M. is, komen er 5 strooken van c.M.-

b) Omdat de lengte 8 c.M. is, bevat de bovenste strook 8 c.M.2 De bovenste strook is in 8 vierkante centimeters verdeeld, maar alle strooken zijn evengroot; de oppervlakte van den rechthoek is

dus 5 X 8 C-M-* = 40 c.M.2

Men zal begrijpen, dat in 't algemeen nu dit waar is:

a) Er komen zooveel strooken van c.M.2, als de breedte c.M. bevat.

Is de breedte 5 c.M., dan 5 strooken ; is de breedte 12 c.M., dan 12 strooken, enz.

b) Elke strook bevat zooveel c.M.2 als de lengte c.M. bevat.

Is de lengte 10 c.M., dan bevat elke strook 10 c.M.2, enz.

c) Het aantal c.M.2 van elke strook wordt vermenigvuldigd met het aantal strooken om de oppervlakte van den rechthoek te vinden.

Een rechthoek van 9 c.M. lang en 4 c.M. breed bevat dus 4 strooken van 9 c.M.2, de grootte is dus 4 X 9 C'M-2 = 3^ c.M.2

Een rechthoek van 45 c.M. lang en 22 c.M. breed bevat 22 strooken van 45 c.M.2 en is dus 990 c.M.2 groot. Enz. 't Is alles hetzelfde.

Dat waren nu vierkante centimeters.

Om met de andere vlaktematen te kunnen »werken«, zouden

Sluiten