Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

we stukjes papier moeten uitknippen van i m.M.2, i d.M.2, i M.2, en/.., tot i M.M.2 toe. Maar men begrijpt, dat zulks niet gaat en om dus te berekenen hoeveel M.2, D.M.2, enz. een stuk land groot is, gaat het niet aan om dat stuk uit te teekenen en te verdeelen zooals we boven aangaven. Maar wat we in werkelijkheid niet kunnen doen, dat kunnen we toch in gedachten wèl. Zoodra we hieraan beginnen, blijkt het, dat we in elk geval precies dezelfde redeneering moeten houden als hierboven met de c.M-, Men verbeelde zich slechts, dat bovenstaande rechthoek een stuk land was, lang 8 D.M. en breed 5 D.M. Dan kon men dat stuk verdeelen in 5 akkers, elk van 1 D.M. breed, en elk van die 5 akkers weer in 5 stukjes grond van 1 D.M.2, kortom, de teekening, die ons dit moest verduidelijken, en de redeneering, die we dan moesten houden, het al veranderde niet. In eiken rechthoek hebben we dus

zooveel strooken van 1 D.M., als de rechthoek D.M. breed is,

t 1 K.M., » •» » K.M. » », enz. en elke strook bevat

zooveel D.M.2 als de lengte D.M. is, » K.M.2 » » » K.M. » , enz.

Vragen we dus, hoeveel M.2 een akker groot is, die 27 M. lang en 3 M. breed is, dan zeggen we :

a) er zijn 3 strcoken ;

t>) elke strook is 27 M.2 groot;

c) de oppervlakte is 3 X 27 M.2 = 81 M.2 Hoe groot is een heideveld, lang 25 H.M. en breed 12 H.M. ? We zeggen dit:

a) er zijn 12 strooken van 1 H.M. breed;

b) elke strook bevat 25 H.M.2 ;

c) de oppervlakte is 12 X 25 H.M.2 = 300 H.M.2 Opmerkingen. In 't werkelijke leven niet, maar in vraagstukken uit rekenboeken ontmoet men dit: De lengte wordt opgegeven in M., de breedte in c.M. Een vloer is lang 5 M. en breed 345 c.M. Hoe groot is die vloer? Er zijn 345 strooken van 1 c.M. breed; elke strook bevat 300 c.M.2, want 5 M. = 500 c.M.

De oppervlakte is dus 345 X 5°° c.M.2 = 172500 c.M.2

Sluiten