Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de cent,

en de halve stuiver,

tot een bedrag van f 0.25, en de zilveren pasmunten: het dubbeltje,

en het kwartje,

tot een bedrag van f 10.—.

Behalve deze hebben we sedert September 1907 een nikkelen pasmunt van 5 cent.

Heeft iemand een hoeveelheid goud, waarvan men gaarne gouden tientjes wil laten vervaardigen, dan kan dit aan de Rijksmunt te Utrecht geschieden, tegen betaling, — en hier onderscheiden de standpenningen zich wederom van de pasmunten, die niet voor rekening van particulieren mogen worden aangemunt. Daarvoor zijn goede redenen. Bezit iemand een hoeveelheid zilver — geen zilveren munten, maar voorwerpen van zilver, en is de handelswaarde daarvan ƒ 25, dan zou van dit zilver een aantal kwartjes vervaardigd kunnen worden, maar .... tot een bedrag van meer dan f 25. Dit komt daarvandaan, dat men voor ƒ25 betrekkelijk een groote hoeveelheid zilver heeft, omdat het zilver goedkoop is. Heeft een stuk goud en een stuk zilver op een gegeven oogenblik dezelfde waarde (de hoeveelheid zilver is natuurlijk zeer veel grooter dan de hoeveelheid goud) dan bestaat de mogelijkheid, dat dit later niet meer zoo is, dat het zilver minder in waarde is geworden b.v.

\ roeger moest de hoeveelheid zilver ruim 15 maal zoo groot zijn om dezelfde waarde te hebben als het goud; thans heeft men ongeveer 30 maal zooveel zilver noodig. In dien tijd — we bedoelen den tijd, dat de grootte, het gewicht en de samenstelling der munten bepaald werd, was het zilver van 10 guldens even duur als het goud van een gouden tientje, doch thans is dat op verre 11a niet het geval. We smelten onze guldens, onze halve guldens en onze rijksdaalders dus maar niet, en evenmin onze zilveren pasmunten, want de massa zilver, die we dan verkrijgen, wordt door niemand tegen munten weer ingeruild. Dat onze rijksdaalders dus een rijksdaalder waard zijn, kan men eigenlijk niet zeggen: we doen maar zoo alsof een rijksdaalder een rijks-

Sluiten