Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar redeneeren is geen werken. Als men in de practijk voor een deeling komt te staan :

2.5 : 0.625,

dan schrijft men daarnaast niet :

2500 : 625 ;

dat deden wij, om te doen begrijpen hoe men het antwoord vindt. In de practijk doet men zoo: Komen er in het deeltal minder cijfers achter het decimaalteeken voor dan in den deeler, dan schrijft men achter het deeltal een, twee of meer nullen, en laat dan niet het decimaalteeken weg, maar denkt het weg. Dan doet men 't zelfde wat we boven deden : deeler en deeltal 1000 maal zoo groot nemen. Zoo dus

0.625 ) 2.500 4^

2500 o

Komen er in het deeltal meer cijfers achter het decimaalteeken voor, dan doet men ook maar of men dit teeken niet ziet. Het gevolg hiervan is, dat de deeler b.v. 100, en het deeltal b.v. 10000 maal te groot genomen wordt. Maar de fout, die daardoor ontstaat, kunnen we gemakkelijk herstellen, door in het quotiënt ergens een punt te schrijven. Waar die moet staan, blijkt uit het volgende.

Die plaats van het decimaalteeken in het quotiënt — dit zeggen we terloops even — is bij het deelen van decimale getallen een moeilijkheid, waar velen altijd zeer mee te worstelen hebben. Toch is 't gemakkelijk genoeg te begrijpen. We herinneren er aan, dat in een opgaande deeling het deeltal gelijk is aan 't product van den deeler en het quotiënt, en als we ons herinneren, dat in het product zooveel cijfers achter de punt komen, als in den vermenigvuldiger en het vermenigvuldigtal samen, dan hebben we in een deeling dus dit: in het deeltal (dat is 't product van deeler en quotiënt), staan zooveel cijfers achter het decimaalteeken als in den deeler en 't quotiënt samen, en in 't quotiënt alléén, want daarom is 't hier begonnen, in 't quotiënt alleen zooveel als het verschil bedraagt tusschen het aantal cijfers achter het decimaalteeken van deeltal en deeler.

Sluiten