Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bijv.:

staan er achter het decimaalteeken in 't deeltal 6, in den deeler 3, dan in 't quotiënt 3 ;

staan er achter het decimaalteeken in 't deeltal 8, in den deeler 2, dan in 't quotiënt 6;

staan er achter het decimaalteeken in 't deeltal 5, in den deeler 5, dan in 't quotiënt o;

en staan er achter het decimaalteeken in 't deeltal 2, in den deeler 6, dan in 't quotiënt geen 4, want in 't quotiënt en in den deeler moeten samen zooveel cijfers achter het decimaalteeken, als in 't deeltal, en 6 -j- 4 is geen 2. We schreven hieromtrent zooeven reeds, dat men achter 't deeltal eenige nullen plaatst, hier dus 4 nullen. Zoo in deze deeling:

0.000625 deelen op 0.05

wordt

0.000625 deelen op 0.050000 en de deeling wordt dus zoo uitgevoerd :

0.000625 J 0.050000 | 80.

50000

O

Geen decimaalteeken dus in 't quotiënt.

Gaat een deeling niet direct op, dan is het zaak goed in 't oog te houden hoeveel cijfers er achter het decimaalteeken van het deeltal staan. Ziehier:

0.375 ) 0.015 (

wordt allereerst

0.375 ) 0.0150 (

maar ook dan nog kan men 375 niet op het deeltal deelen, en we schrijven

0.375 ) 0.01500 ( 4 1500 o

Is 't quotiënt nu 4? Neen, want het deeltal, 0.01500 heeft

Sluiten