Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

noemer 8, dus 3 maal zoo klein wordt, dan wordt elk deel 3 maal zoo groot, en daarom kan het aantal deelen, dat is de teller, 3 maal zoo klein worden.

We herhalen: de/.e eigenschap is bij de gewone breuken schering en inslag; schier geen som of'men maakt er gebruik van.

S N2. liet vereenvoudigen en het gelijknamig maken van gewone drenken.

Zooals uit de volgende paragrafen blijken zal, is het dikwijls noodig breuken gelijknamig te maken. Heeft men twee of meer breuken, f, •> en y0, dan kan men teller en noemer met zulk een getal vermenigvuldigen, dat alle denzelfden noemer krijgen. Die gemeenschappelijke noemer kan dan b.v. 60 worden. Daartoe moet de noemer van de eerste breuk vermenigvuldigd worden met 15, van de tweede met io, van de derde met 6, en, indien de breuken dezelfde waarde zullen behouden, worden ook de tellers resp. 15, 10 en 6 keer genomen. Dan heeft men:

-si - 4 5 jji) 7 4 o

* «0' « ï 0' 10 tiö"

Dat we juist 60 kiezen, komt daar vandaan, dat zoowel vierden als zesden en tienden herleid kunnen worden tot 60e deelen en niet tot b. v. 50e deelen.

Wil men zoo J en | gelijknamig maken, dan zoekt men evenzoo een noemer, door 8 deelbaar en door 9, en dat is b.v. 72. We hebben dan

h = en ^

Een vergelijking tusschen de grootte der breuken is zóó \eel beter mogelijk dan wanneer ze nog in hun oorspronkelijken vorm zich vertoonen.

De gemeenschappelijke noemers, 60 van het eerste, en 72 \an het tweede voorbeeld, zijn niet de eenigste, die we konden kiezen. Wel zijn het de kleinste.

Het gelijknamig maken van breuken is dus mogelijk, nu we weten, dat teller en noemer van een breuk met hetzelfde getal mogen worden vermenigvuldigd, zooals in § 81 is aangetoond.

Sluiten