Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan de maagd, die „gezelschap zoekt, dat Jezus mint", de volgende versregels. De „zalige Xaveer", voortaan haar uitverkoren beschermheilige, opent het zachtvloeiend en zinrijke gedicht:

Nu sla o zalige Xaveer,

Uit 's hemels troon uw oogen neêr Op d'eere der jonkvrouwen,

Die Jezus hand gaat trouwen 1).

Zi) schenkt het zuiver heiligdom Yan hare jeugd den Bruidegom Van zooveel duizend Maagden,

Als ooit zijn oog behaagden.

Van ouds was geen triomf zoo groot Dan als een Maagd in 't hart besloot Den bloesem van haar dagen Den hemel op te dragen,

Hem te offeren den eersten geur,

Den verschen dauw en' t levend kleur Der onbesmette Lelie.

Geplant door 't Evangelie 2).

Dat was van ouds een klare blijk Der mogendheid van Christus' rijk,

't Welk wijder triomfeerde Dan Cezar ooit regeerde.

Zoo werd bij 't licht van 't roomsch geloof De glans van Vesta's lampen doof 3) ; Zoo schaamden zich haar nonnen Voor ons gewijde Zonnen.

Men zwijg' v»n Dafne, bij den stroom Gevlucht en in een lauwerboom Veranderd onder 't blaken Des Gods 4), die haar wil schaken.

Hier blaakt een maagd van hemelsch vier En staat, gelijk een lauwerier

1) Bij verbintenis de hand. op trouwe geven.

2) De maagdelijke kuischheid als een der evangelische raden. 8) De heidensche Vestalen of priesteressen van Vesta, die het

heilig vuur en licht moesten onderhouden op haar altaar. 4) De heidensche God Apollo.

Sluiten