Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van congregatie der godgewijde maagden, eu de ziekenhuizen werden ijverig bezocht; het getal der doopelingen beliep 160 en 126 maal was het Sacrament des Oliesels aan de stervenden toegediend; 75 huwelijken waren ingezegend en 207 algemeene biechten gehoord; zestien personen waren tot het geloof bekeerd. — Aan pater Greg. Martens, die juist in datzelfde jaar door den provicaris Josephus Cousebant als „een ernstig en zielenijverig man" geroemd wordt, zal wel een goed deel dezer vruchten-inzameling te danken zijn. Dit bondig verslag getuigt van nog betrekkelijken bloei. Pater Martens overleed den 15den November 1693, niet op den Singel in zijn Krijtberg maar „op d'oude Heerengracht" bij de Brouwersgracht in de Zonnebloem, waarheen hij in zijn jongste ziekte schijnt overgevoerd en vanwaar hij den 18'len Nov. werd uitgedragen om in de Nieuwe Kerk zijn laatste rustplaats te vinden. *)

Een tijdlang had hij de medehulp genoten van den reeds vermelden Philippus Happart uit de Zaaierskerk, die, gelijk de provicaris Jozef Cousebant in 1688 aanteekende, 2) „door mij, provicaris, toegelaten is op voorwaarde, dat hij zijne vergaderingen houde in 't kerkje (Sacellum), dat door Gregorius Maertens, evenals door zijn voorganger bediend wordt". Cousebant noemt hem een „voorbeeldig man." (vir exemplaris) Deze zoon van Servatius Happart, secretaris van den Mechelsclien Grooten Raad, en Catharina van Heussen, werd, gelijk wij nader zullen vernemen, op aandrijven der Jansenisten, in 1708 uit Amsterdam verbannen en keerde in 't volgend jaar, na eenigen tijd in Utrecht, Yianen en Kuilenburg geschuild te hebben, naar België terug, waar hij den 2den April 1716 te Mechelen overleed.

Na den dood van pater Martens werden de uitzichten der Amsterdamsche Jezuïeten altijd somberder, ten gevolge

1) Bijdragen voor 't bisdom Haarlem, XYII bl. 171.

2) T.' a. p. V bl. 111.

Sluiten