Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Theodorus de Cock, zijn gewezen vriend, in zijne plaats als provicaris aangesteld.

Dat was een geweldige slag voor de Jansenisten en 0111 dien af te weren, besloten zij, in een bloot kerkelijke zaak hun toevlucht te nemen tot den wereldlijken rechter . zij zouden beproeven — een maatregel, lang van te voren beraamd en voorbereid, — hunne zaak bij de regeering des lands te winnen, of wellicht de Paus, uit vreeze voor de Staten, van gevoelen zou veranderen. Te dien einde bedienden zij zich van aanzienlijke geestelijken en leeken, die bij de regeering klachten aanhieven over de onrechtvaardige veroordeeling van Codde, door de kuiperijen zoo luidde het — der Jezuïeten bewerkt. Alles werd op rekening der monniken gesteld, voornamelijk der Jezuïeten, en de Cock werd voorgedragen als aan dezen verslaafd, otschoon hij, aanvankelijk althans, niet geheel vrij was van de ganghebbende vooroordeelen tegen de reguliere geestelijkheid.

De sluwe Joh. Christianus van Erckel, pastoor op 't begijnhof te Delft en lid van 't eigenmachtig opgerichte Utrechtsche waankapittel, wist, bijgestaan door zijn trouwen geestverwant Hugo Franc, van Heussen, al aanstonds dooi een heftige rede, vol schandelijke logen en laster, de staten van Holland en Westfriesland dermate tegen den provicaris op te zetten, dat het noodlottig plakkaat van 17 Augustes 1702 werd uitgevaardigd. Daarbij werd aan de Cock verboden zijn vicarisschap uit te oelenen en alverder bepaald : „dat niemant voor vicaris sal mogen werden erkendt als diegeene, die naar orde in dese Landen gebruickelijck, behoorlijker wijze geëligeert en de bij de Heeren onse gecommitteerde Kaden geadmitteert sal weesen. 1)

Toen Codde uit Rome wedergekeerd en den 28-u'" Juni 1703 behouden te Utrecht was aangekomen, verdubbelde de ijver der Jansenisten, en, door een nieuwe lasterlijke

1) Kerkelijk placaatbock I 641. Dat juichte Quesnel toe.

Sluiten