Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den — zoo luidt het t. a. p. — vinde ik mij verplicht u te raaden van in uwen merkelijk verbeeterden Dageraad niet meer te spreeken van hetgeen de Internuncius *) toevertrouwd heeft aan een zeer geloofswaardigen 1'astoor, (bl. 9 en 78.)

„Wel is waar, gij noemt den man niet in uw boekje ; dog men weet uit eenen uwer latijnsche brieven, die gij geschreven hebt aan eenen Pastoor van Vlaanderen, dat die zeer geloofwaardige pastoor de Heer Adam Beckers is, Pastoor te Amsterdam, in de Jezuïeten-Kerk op de Cingel. Ik overtuige u hier van. W ant diezelve Pastoor van \ laanderen, steunende op de waarheid van uwen brief, heett geoordeeld geen geheim daarvan te moeten maaken, en heelt aanstonds eenen zijner vrienden, die in Westphalen woont, kennis daaraf gegeven, om uwe schriften te ontschuldigen. Deze vriend heeft de zaak gewigtig genoeg gevonden om uit den Internuntius, die te Munster is, te verneemen ofte Roomen zulke uitspraak gedaan was, en heeft vervolgens den Heer Ciamberlani den brief van den Pastoor van Vlaanderen toegezonden, welke brief den uwen behelsde. Ik zal denzelven hier gansch trouw in de tlollandsche taal ter neder stellen.

„Hij luidt aldus :

Mijn Heer!

„„Ik heb gisteren (28 Feb.) eenen brief van den Heer „„Huleu ontfangen, van den volgenden inhoud: De Heer „„Broers ontfing de voorleden week eenen brief van den „„Heer Beckers, Pastoor in Amsterdam, die hem meld, dat

1) Aloysius Ciamberlani, eertijds verbonden aan de nuntiatuur te Brussel, bleef na het vertrek van Cesar Brancadoro in 1796, als vice-superior, met het bestuur der Hollandsche zending belast. Onder koning Lodewyk 1806-'10 woonde h\j meestal te Amsterdam, onder Keizer Napoleon veelal in Duitschland en sedert 1815 vestigde hij zich te Munster, waar hij 29 Januari 1828 tachtig jaren oud, overleed.

Sluiten