Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„„op eene onbehoorlijke wijze blootgegeven door den Hr. „„Huleu. 't Is nu niet meer door eenen brief', dat hij mij doet „„zeggen den eed niet geoorloofd te zijn, ttn zij het blijke, „„dat de Wetgevers hem anders verstaan, en het volk onderrigt „„worde om alle ergenis voor te komen. Maar hij doet mij ook „„zoo spreeken in het boekje, dat hij heeft doen drukken „„onder den naam van Dageraad der Waarheid, en mij „„toegezonden is. 't Is bijna op dit woord alleen: Nisi „„constet, tenzij het hlijke, dat zijn werkje steund, en waar „„uit hij alle zijne sluitredenen trekt. De waarheid, mijn „„Heer, en mijne eer laten niet toe een oogenblik uit te „„stellen, om mij hier over te beklaagen. Gij weet in uw „„gewisse, dat ik u nimmer gezegt heb het geen de Hr. „„Huleu mij zoo ligtvaardiglijk durft aantijgen. Daarom ver„„zoeke ik u, mij in eenen brief, welken ik allenthalven „„vertoonen kan, te betuigen, dat ik mij nooit zoo heb uitge„„drukt, gelijk de Hr. Huleu ten onrecht in zijn boekje „„schrijft, en verzoeke, dat, indien gij ooit in deze wijze „„aan den Advokaat Broers geschreven hebt, gij rechtzinnig „„belijd, dat die woorden Nisi constet, tenzij het blijke, van „„u alleen komen, zonder dat mijn mond ooit iets dergelijks „„heeft uitgesprooken. Ik verwagte met omkeerende post „„antwoord, en heb eer te zijn, enz.""

7 April 1798.

„Men kan beter gevoelen dan uitdrukken, hoe groot de verslagenheid en de verontwaardiging van den Hr. Beckers was, op het ontvangen dezer twee brieven, uit welke hij zag, dat zijn naam benevens die van den Hr. Ciamberlani zo schandelijk misbruikt was. Hij stelde dus geen oogenblik uit de volgende verklaaring op te maken.

„„Ik verklaare en getuige om des waarheids wil, dat de „„de H. Ciamberlani Internuntius mij gezegt heeft, dat de „„zaak van den eed te Romen geëindigt was, en beslooten „ „dat hij ongeoorloofd is: Romae decisum est non licere. „„Ook verklaare en getuige ik, dat hij niet een enkel woord

Sluiten