Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat de zuigeling te groote hoeveelheid voedsel neemt en daardoor tot dyspepsie neigt. Zoodoende ziet hij in het regurgiteeren eene aanwijzing om het volumen van den maaltijd te verminderen.

Het braaksel bestaat uit door het maagsap min of meer gedigereerd voedsel, al of niet met slijm vermengd.

Geschiedt het braken onmiddelijk na den maaltijd, dan bestaat het braaksel uit nagenoeg onveranderd voedsel; treedt het braken echter eenigen tijd na de voedselopneming in, dan bevat het coagula van casein. Bij chronische dyspepsie kan het braaksel somwijlen uit een waterheldere vloeistof (wei) bestaan, doordien de casein-coagula in de maag achterblijven.

De reuk is gewoonlijk zuur, door vetzuren (Heubner) of ranzig door melkzuur. Bij acute gastro-enteritis kan de kleur geelachtig zijn door bijmenging van gal. Bij de zware vormen der gastro-enteritis (cholerainfantum) vindt men soms in het braaksel kleine bloedvlekjes of bruine (van bloedkleurstof afkomstige) vlokken, gevolg van parenchym. bloedingen in het maagslijmvlies. Volgens Heubner zoude de aanwezigheid van dergelijke vlokken eene lethale prognose, rechtvaardigen. Microscopisch vindt men spijsresten, leucocythen en epitheliën.

3°. Afwijkingen der faeces. Terwijl in enkele gevallen de voedingsstoornissen gepaard gaan met obstipatie, treedt toch in de meeste gevallen vermeerdering der frequentie op, welke er toe leidt, dat de massa der faeces, die bij den normalen zuigeling 3 — 4 gram per etmaal en per kilo bedraagt, kan verhoogd zijn tot 10-30 gram. (Munti).

Sluiten