is toegevoegd aan uw favorieten.

Beknopte kliniek der voedingsstoornissen van den zuigeling

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

casuïstiek.

15/XI. Diarrhee. Muhlbrunn weglaten. 29/XI. 3050. Spuwt veel: faeces alkalisch; karnemelk. 4/X. 4000. 25/X. 4600. Rustig: toch van tijd tot tijd braken en soms diarrhee. Met canule gele, homogene, weeke, zwak zure faeces. Bleef geregeld toenemen in gewicht.

Geval 20. Dysp. chron. bij gemengde voeding; tijdelijke verbetering door uitsl. borstvoeding : intercurrent acute secundaire v. s.; duurzaam lieratel na bijvoeding met koemelk.

A. P. T. 3 maanden. Had eerste 6 weken uitsluitend borst; daarna bijgevoed met koemelk en water. Spuwt veel: defec. steeds traag; komt flink aan.

St. 1/IX. 5850. Met canule slijmige, zwak zure gele faeces. Zuigt 130 gram.

V. Uitsluitend en regelmatig borstvoeding.

12/IX. 6100. Geen klacht; eenigszins trage defec. 20/IX. 6250. Spontaan defec.; spuwt niets. 25/X. 6600. Bleef volkomen goed. Sinds een paar dagen koorts, hoesten, lastig, slijmige groene frequente defec. Bronchitis. Zoutzuur. 1/XI. 6650. Koorts en hoesten geweken. Blijft toch lastig: schijnt hongerig.

8/XI. 6700. Trage defec. Bijvoeden karnemelk. 15/XI. 6750. Wilde de karnemelk absoluut niet nemen. Braakt. Trage defec. Bijvoeden bussenmelk. 21/XI. 6800. Verschijnselen onveranderd. Bijvoeden onverdunde gepasteuriseerde koemelk. 28/XI. Braken vermindert. Spontaan, gele niet-dyspep. defecatie. 7/XII. 7100. Bleef goed.