Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is, om met een gemengd stelsel de proef te nemen, en ik meen, dat de liberale partij dit kan en moet toestemmen, zonder dat zij over haar verleden behoeft te blozen. Dr. Betz heeft zich laatst veel moeite gegeven, om de hatelijke bedoeling der beruchte derde zinsnede in het licht te stellen. Daartegen is niet veel te zeggen: vrees voor Rome en n't nieuwe licht" zat in de dagen vóór en na 1848 in de lucht. En er ligt voor de vrijzinnigen van heden zeker iets aangenaams in, dat hunne partij-naamgenooten van toen geen deel hadden aan den snooden toeleg, om „de schadelijke werking van het schoorvoetend vrij verklaarde bijzonder onderwijs door het openbare overal te vernietigen of te temperen". Voor de volledigheid van het historisch betoog ware het echter niet onwenschelijk geweest, indien de geleerde schrijver ook even had aangewezen, in hoeverre het openlijk beleden booze plan der meerderheid bij de uitvoering der grondwettelijke bepaling gelukt is. Is het aantal openbare scholen — op enkele „schandalen" na — niet steeds bepaald naar de gebleken behoefte? Moeten er niet, blijkens tal van koninklijke besluiten, zeer geldige motieven zijn, eer een gemeentebestuur gedwongen wordt tot vermeerdering of belemmerd wordt in de inkrimping van het aantal scholen? En in gemeenten, waar men in het geheel niet gediend was van openbaar onderwijs, wat kon het daar kosten den boozen toeleg der derde alinea te verijdelen? Een goedkoop gebouwtje en een goedkoope schoolmeester, dien men zijne pijp kon laten rooken, was het eenige, wat men er bij wijze van brandspuit of verbandkist voor onvoorziene toevallen op 11a te houden had. Men kan dan ook niet zeggen, dat de conservatieven van '48 veel wil van hun werk gehad hebben. Terwijl hun geslacht, in de rechte linie althans, onbeweend dreigt uit te sterven, heeft

Sluiten