Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ter toelichting het volgende:

De onder 1, 2 en 3 genoemde voorwaarden spreken voor zich zelf. De Staat moet aan de bijzondere scholen eenige moeielijkhedcn te overwinnen geven, opdat het bewijs geleverd worde, dat hare oprichting de openbaring is eeuer ernstig gevoelde behoefte, niet eene industrieele speculatie van een enkel individu, niet de waan van een dag, niet eene poging tot winstbejag.

Wat punt 4 betreft, verheugt het mij, dat ik mij op den redacteur van De Standaard beroepen kan, om aan te toonen dat de Staat niet het opwassen van een eindeloos aantal kleine, gebrekkige schooltjes begunstigen kan. In zijne rede van 7 December 1874, waarin de toenmalige volksvertegenwoordiger de verbeteringen in de schoolwet aangaf, die hij dringend noodig achtte, stelde dr. Kuyper als zesden eiscb :

„ Verlaging van het cijfer der scholieren in verhouding tot het onderwijzend personeel, door eenvoudig voor 70 leerlingen te stellen 50; maar ook te beletten, dat voor onderscheidene klassen dezelfde onderwijzer tegelijkertijd optrede. Dit is eene grove fout in onze schoolwet, dat ze een onderwijzer hoogstens met een enkelen kweekeling onderwijs laat geven, soms voor vier of vijf klassen tegelijk."

Inderdaad was dit eene grove fout, en de wet van 1878 heeft er eenige verbetering in gebracht, door een onderwijzer voor te schrijven zoodra liet aantal schoolgaande kinderen meer dan 30, en een tweeden zoodra het 70 bedraagt. Later zijn deze cijfers helaas, weder in 40 en 80 veranderd, maar al was het zoo gebleven, de toestand van dergelijke schooltjes blijft toch altijd gebrekkig. En veel is er door de verspreidheid onzer plattelandsbevolking al niet aan te doen. Zoo is dan ook bet aantal scholen in ons land niet gering, — ik zelf heb gedurende de jaren 1871 en 1872 als hoofd eener openbare school te Haarlemmermeer er de ondervinding van opgedaan — waar een of

Sluiten