Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nu echter in het Volksblad ernstig de vraag wordt gesteld, of de vrijzinnigen dan bereid moeten zijn een gewichtig beginsel prijs te geven, moet ik bij de beknoptheid, die mij te dezer plaatse geboden is, toch eeue poging wagen, om aan te toonen, dat niet dit zware oiler, maar alleen strenge naleving van liet geprezen beginsel van de liberalen geveigd

wordt.

Laat ik dan allereerst hier mogen belijden, dat ook ik scheiding van Kerk en Staat als den voortreffelijksten regel van staatsgedrag erken onder een volk, dat gewetensvrijheid zijn hoogste goed acht. Aan dat door achtereenvolgende Pausen veroordeelde beginsel hebben katholieken en strenge Calvinisten hunne volkomen godsdienstvrijheid te danken gehad; aan dat beginsel waarop de eersten zich niet mogen beroepen en dat de laatsten slechts tijdelijk in hunne banier kunnen schrijven, zullen zij ook eenmaal de wegneming hunner billijke grieven tegen de huidige schoolregeling verschuldigd zijn.

Hoe voortreffelijke wapenen het ook zijn, laten we echter niet met woorden strijden. De leus zelve zegt nog niet veel; er is meer dan één standpunt tusschen caesaropapisme en theocratie. En gelijk een twaalftal jaren geleden op den eersten Ned. Protestantendag (30 Üctober 1873) is er ook nu weer reden, om de vraag te stellen: „is in de verhouding tusschen Kerk en Staat alles met het ééne woord scheiding af te doen"?

Wie in het vraagstuk belang stelt, kent de geschiedenis van den toen ontbranden strijd. Prof. Opzoomer stelde de quaestie: óf afscheiding zonder eenige betrekking, ót betrekking, ■mits vergezeld van eene behoorlijke grensscheiding 1), en verdedigde het laatste. De geëerde schrijver erkende alzoo de

1) C. W. Opzouiner. Hcheidiivj van Kerk en tslual. 1S75. pag. (J.

Sluiten