is toegevoegd aan uw favorieten.

Verspreide opstellen van C. H. den Hertog

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Maar dat is propaganda van eene bepaalde belijdenis steunen", — roept ge uiij toe — „en daar is het punt, waar ge uitglijdt". Laat ik mogen antwoorden, dat ik het woord propaganda nog altijd onjuist acht, als gelijkgezinde ouders hunne kinderen naar scholen van bepaalde godsdienstige richting zenden, en ik daaronder alleen versta de verbreiding van een beginsel onder hen, die er aanvankelijk niet van weten willen. In het door mij aanbevolen stelsel neem ik dan ook aan, dat ouders, die van dergelijke scholen niet gediend zijn, altijd de gelegenheid moeten vinden om hunne kinderen op eene openbare school onderwijs te doen genieten. Maar ik wil van het argument, aan dat verschil van opvatting te ontleenen, afzien. Doch dan vraag ik: indien dit bezwaar den staat moet weerhouden, wordt dan het beginsel gehandhaafd, dat hij tegenover particuliere vereenigingen dezelfde houding aanneemt, als tegenover iudividuën? Verbiedt hij den bouwmeester, die een museum voor hem sticht, ook eene kerk te bouwen? Belet hij den ambtenaar, die hem in een af anderen tak van dienst zijne bekwaamheden of talenten verkoopt, na gedaan werk de eene of andere godsdienstige of ongodsdienstige meening voort te planten? Zoo niet, wat gaat het hem dan aan, of eene schoolvereeniging, die zich verbonden heeft een zeker aantal uren per week goed maatschappelijk onderwijs te leveren, buiten die uren godsdienstonderricht geeft? Hij heeft immers geen verstand van godsdienst en kan het laken noch prijzen, als zijne burgers geloovig of ongeloovig zijn. Maar wel kan hij van hen, die hem dienen, hetzij individuen of vereenigingen eerlijkheid en goede trouw eischen in het nakomen der verplichtingen, die zij op zich nemen. Kan men bewijzen dat kerkelijk gekleurde schoolvereenigingen in dat opzicht geen vertrouwen verdienen, of dat er geene waarborgen te