Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beid weet te bewaren, verliest uit vaderlijke ijdelheid herhaaldelijk zijne schoone kalmte, als ze zijn eigen kroost overkomen.

Dat onderwijs, hetzij er eene belijdenis aan ten grondslag ligt of niet, heeft zonder meer reeds eene opvoedende strekking. Het verschaft niet slechts voordeel voor de toekomst, en nu en later genoegen zonder nasmaak, — wat op zich zelf reeds een zedelijke vooruitgang is, — maar het bevat ook allerlei elementen, die moreele inzichten en emoties wekken en onderhouden. Doch wat vooral opvoedend, d.i. denkengevoelen-en-willen-verlieffend werkt, is het leven — niet in uwe schoolkazernes, o zuinigheidsmenschen! — maar in een goed en soliede schoolgezin. Dat is eene aparte opvoeding, die ook het allerbeste en vroomste gezin niet geven kan. Men versta mij wel; ik zeg niet, dat die schoolopvoeding hooger staat, ook niet dat zij lager staat, dan die in de familie, maar zij is van eene andere qualiteit. Paedagogisch is het alweer geen ideaal, zich de weelde van een eerste-rangs-gouverneur of eene uitgelezen gouvernante te kunnen veroorloven. Stuur uwe kinderen naar eene goede school, zegt de paedagogiek, ook al weet gij met uw geld geen raad! Het is alweer voor het kind geen beter of slechter, maar een ander en niet minder onmisbaar milieu, dan het voortreffelijkst gezin aanbieden kan. Niet dat er — in normale omstandigheden natuurlijk, — strijd behoeft te zijn tusschen school en gezin, — wat hier goed heet, wordt daar niet kwaad genoemd, — maar er is verschil. Het gezin is en blijft van nature de foyer van het sympatliiegevoel, dat de menschenwereld bijeen houdt en in de hoogte voert; de school is de eerste kleine gemeenschapskring, waarin dat gevoel zich in ruimer kring doet gelden en tegelijk ook een eenigszins anderen vorm aanneemt. Wat ginds liefde heet, blijft hier wel als genegenheid werken, maar doet zich ook nu en dan gelden als recht.

Sluiten