Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gehad en zich tot regel gesteld heeft, dat niets werktuigelijk mag onderwezen worden, zal het natuurlijk vinden, dat het zien van een worsteling met „unfiihige Köpfe" tot zulk een opmerking wekt, (al mogen ook ongeoefende toekijkers daarbij heel andere gevolgtrekkingen maken), en bekennen, dat die slagboomen inderdaad vele zijn. Niemand zal het ook willen verbergen, dat het veel moeite geeft over alle heen te komen en ik geloof dus, dat het nog steeds een belangrijke vraag blijft, hoe die moeite tot een minimum te brengen is.

Moet er een keuze gedaan worden tusschen verdeelingsen verhoudingsdivisie, dan vermoed ik, oordeelende naar hetgeen ik van anderen gezien heb, dat de eerste in talrijker gezelschap zal komen dan de laatste. Dit vermoeden is juist tegenovergesteld aan de meening van den heer L. Bouman Jz. (zie n°. 24, N. B.), als hij beweert, dat bijna alle onderwijzers der lagere school de deeling als een verkorte aftrekking beschouwen. Die zeer uiteenloopende ervaring brengt ons echter niet verder. Maar als ik nog eens nalees, hoe de heer Brouwer in n°, 47 de beide vragen uitwerkt: wat is het Ge deel van 859 steenen en hoe dikwijls kan ik 6 steeneu van 859 steenen afnemen? dan valt het, dunkt mij, onmiddellijk in het oog, dat de eerste uitwerking voor kinderlijke heiseneu de minste zwarigheid zal aanbieden, en dus als het op kiezen aankomt, de meeste voorstanders vinden moet.

Bij die keuze evenwel ontkomt men de moeilijkheid in de tweeërlei toepassing der deeling gelegen, slechts zoolang, tot dat de verkregen vaardigheid in die bewerking den leerlingen dienen moet 0111 vraagstukken op te lossen. Als dan vragen gesteld worden als: ö metselaars verwerken 859 steenen, hoeveel gebruikt ieder er? — of: in 1 minuut plaatst een

Sluiten