Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

cu de kinderen door tal van oefeningen daarvan eerst een helder inzicht kunnen krijgen. En wie zal dit niet toestemmen, die ondervonden heeft, hoe vaak men op de fout stuit: 2x3x5 = 5x5 of omgekeerd 12x5 = 2x10x5?

Omtrent de behandeling der deeling blijf ik ten deele met den schijver van meening verschillen. Evenals in het le deel beschouwt de heer V. die bewerking uitsluitend als een verkorte aftrekking. Om dus het vraagstuk op te lossen, hoeveel centen een persoon krijgt, als zes menschen 132 centen moeten deelen, wil hij, dat de leerling volgenderwijze redeneere: „als ieder 1 cent ontvangt, krijgen zij samen 6 centen; zoo dikwijls dus 6 ct. vau 132 ct. kan afgenomen worden, zoo menigmaal krijgt ieder 1 ct." Tegen de m. i. natuurlijker oplossing: — 1 persoon krijgt het zesde deel van 182 ct., en vervolgens: 't zesde deel van 13 tt. is 2 tientallen, 't zesde deel van 12 ets. is 2 centen, ieder krijgt dus 22 ct., — heeft hij dit bezwaar, dat de leerlingen, die dat duidelijk vinden, tot het gewone euvel vervallen, van over een hindernis heen te stappen, zonder haar te zien. „De uitdrukking, nl. het zesde deel van 13 tientallen is 2 tt., moet in 't oogvallend onjuist genoemd worden voor ons."

Het is hier de plaats niet uitvoerig dit geschilpunt te bespreken; maar toch wensch ik even te doen opmerken, dat dit bezwaar de andere beschouwingswijze niet minder moet drukken, daar de uitdrukking: „6 ct. kan men 20 maal van 130 ct. afnemen," evenzeer onjuist is. Bovendien vervalt het bezwaar, dunkt mij, geheel, als men bedenkt, dat door vroegere herhaalde oefeningen de gewraakte uitdrukking voor den leerling dezen zin heeft gekregen: als 6 menschen 13 tt. deelen moeten, kan elk 2 tientallen krijgen. Als ik indertijd zelf van bezwaren gesproken heb, vermoedde ik

Sluiten