Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Als ik ten slotte mijn aanteekeningen nog eens naga, vind ik een paar opmerkingen, die ik aan de aandacht des schrijvers wenschte te onderwerpen. Na de uitstekende behandeling der inhoudsberekening van den rechthoek, komt de heer V. ook tot de vraag, „hoe breed een rechthoek is, als zijn inhoud 27 cM2 en zijne lengte G cM. is. Daarop geeft hij deze twee oplossingen:

a. „Het aantal centimeters, dat de lengte bevat X 6 is gelijk aan 27. De lengte bevat dus 27 : 6 — 4x/2 cM."

b. „Als de lengte 6 cM. was en de breedte 1 cM., dan zou do inhoud 6 cM'2 zijn. Zoo dikwijls als nu 0 cM'2 op 27 cM'2 begrepen is, zooveel cM. bevat de lengte."

Nu maakt de rangorde, benevens hetgeen de schr. laat volgen, op mij den indruk, alsof hij aan de onder a gegeven verklaring de voorkeur geeft. Velen echter zouden, denk ik, met mij liever gezien hebben, dat de heer V. eerstgenoemde handelwijze geheel veroordeeld had. 't Is niet mogelijk voor leerlingen der lagere school onderscheid te maken tusschen het abstracte aantal en de concrete hoeveelheid. Alleen de laatste oplossing valt binnen hun bereik en wat bet bezwaar betreft, dat de heer V. tegen haar oppert, dat nl. de leerlingen het vreemd moeten vinden, dat het quotiënt van cM2, centimeters oplevert, 't zal zich, meen ik, niet voordoen, als men steeds aandringt op deze voorstelling:

27 dM2 : 6 dM2 = 472 maal.

De lengte bevat dus 41/2 X 1 cM. — 4y2 cM. —

Niet altijd is het ook duidelijk, of de heer V. bij het onder woorden brengen der inhoudsberekeningen, de daartoe gebezigde uitdrukkingen voor de leerlingen der lagere school geschikt acht. Als algemeen beginsel komt het mij wensc hel ijk voor, in dat geval vlakken en lichamen steeds tot rechthoeken en zuilen te herleiden. Alzoo niet; dat de

Sluiten