Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te zijn. Als men een voorschrift van eene eenvoudige, gezonde, doelmatige voeding verlangt, zal men zich wenden tot iemand, die de verschillende levensmiddelen en hunne betrekkelijke waarde grondig kent en overziet. Waarom zou het op het gebied van taalonderwijs anders zijn? Onderwijzers, die weinig van grammatica weten, zullen er allicht aan hunne leerlingen alles van mededeelen, wat zij weten, onverschillig of het meegedeelde waarde heeft of niet. En toont de meester zich in de beperking, alleen van meesters zal men dan ook de ware beperking kunnen verwachten.

Toch zal de taalstudie der onderwijzers met het oog op het doel er van een bepaald karakter moeten dragen. Men kan om een voorwerp te leeren kennen twee wegen inslaan : het goed van alle zijden waarnemen of de geschiedenis van zijn ontstaan nagaan. Kan men beide wegen bewandelen, des te beter. Maar moet men kiezen, en dit is voor de meerderheid gewoonlijk noodzakelijk, dan verdient de eerste weg de voorkeur. Dit op de taalstudie der onderwijzers toegepast, leidt tot de conclusie, dat het historische gedeelte der grammatica, etymologie en spellingleer op den achtergrond moet treden en de beschouwing van zin en woord. hoofdzaak is. Vandaar dat de analytische leergang, zin, woord, letters hoe langer hoe meer als de meest aanbevelenswaardige erkend wordt. Het gevolg daarvan is geweest eene wijziging in de volgorde der leerstof in de beste studieboeken. Waar de syntaxis, de leer van den zin, voorheen naar een tweede deel of tweede gedeelte werd verwezen, dat zeer dikwijls niet werd ingezien, staat deze nu op den voorgrond. Eu zoo komen meer dan vroeger onderscheidingen van zinnen en zinsdeelen ter sprake, die volstrekt geen nieuwigheden zijn, maar door oppervlakkigen of onwetenden voor

Sluiten