Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ik het verslag der befaamde rede onder de oogen kreeg. De lieer v. d. B. zal deze kleine vrijheid aan den laatste der Mohicanen ... ik wil zeggen: den laatste der Renaissancespraakkunstniannen wel willen vergunnen, hoop ik. Ik heb er indertijd in berust met dit epitheton op mijn plaats gezet te worden, maar een oud en verouderd mensch wil toch wel eens praten, voor hij heelemaal dood gaat. Dit laatste zinnetje lijkt me warempel nog weer een opfiikkeringetje van leven! Of zou ik „waratje" zetten? Dat is ook nog al een frisch woordje. Doch laat ik liever tot mijn renaissancespraak kunsttaal terugkeeren. Wat helpt het, verouderde gedachten een frisch „kleed om te hangen". Als 't lieve leven faalt, enz.

Er is een geniaal gebrek aan samenhang in de rede van den Heer v. d. B., — de bewijzen zullen straks volgen — maar wij denken er niet aan hem daarvan een verwijt te maken. Zijn theorie is, dat een meusch zich maar moet uitzeggen, en waarom zou men dan van hem vergen, dat hij zich geweld aandeed! Ik wees er dan ook alleen op, omdat ik, zijn rede op den voet volgend, wat van den hak op den tak moet springen.

Hij begint met het oude taalonderwijs te typeeren in de anecdote van een jongen, die in een zin wel naar schrijffouten zoekt, maar er geen oog voor heeft, dat „hinderpalen overwinnen" een raar soort van beeldspraak is. Hier werd ik al dadelijk in de war gebracht. Bij het nieuwe taalonderwijs, verbeeldde ik mij, was geen sprake van fouten Men zegt zich uit, en wie er wat op aan te merken heeft, is een dogmaticus. Wie geeft hem het recht, als wetgever op te treden, als ik verkies te zeggen, dat ik „hinderpalen overwin"* Waarom zal ik mij onderwerpen aan het banale, platgetreden „uit den weg ruimen", het eigendom van

Sluiten