Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

baardschrappers en leepoogen! Ik wou, dat ik er een woord voor vinden kon, dat geen sterveling ooit gehoord had, — als ik maar wist, dat ze mij dan toch zouden begrijpen.

Doch laat ik mij niet door mijn gevoel laten meeslepen. Ik ben, helaas, geen jongen meer, maar als ik het was, dan geloof ik, dat ik veel aanleg zou hebben voor het nieuwe taalonderwijs. Ik zou mijn meesters zien aankomen met hun fouten aanschrappen! Docli wij moeten de zaak van het oude standpunt bekijken. Wij, ouderen, zouden dan zeggen: als die jongen de onzuiverheid van die beeldspraak niet voelt, ja, dan is hij de eerste niet; de eeuwen door zijn er van die loshoofden geweest, die maar raak praten en schrijven. Maar hij was een „pittige" jongen, vernemen we; welnu, dan zal het aan zijn leeraar gelegen hebben. Als de man nog leeft, zou ik hem aanraden, om dat boekje van F. J. Heeris x) te koopen, dat ouderwetsche leeraars nog weieens gebruiken als ze hun leerlingen een rijke verzameling van malle beeldspraak willen voorleggen. „Mal" is natuurlijk van het oude standpunt gesproken; die auteurs zeiden natuurlijk hun binnenwereld uit en, hij mocht door anderen mal gevonden worden, ze hadden hem niet gestolen, het was de hunne.

Nu komt er wat anders. „De jongen met het beste binnenleven zou de beste opstelmaker moeten zijn; maar dat is hij niet". Hierover valt niet te discussiëeren. Zoo lang ik mij met jongens heb ingelaten, heb ik altijd ondervonden, dat jongens, waar het meeste inzat, de beste opstellen maakten. Dit schijnt nu anders geworden te zijn, maar dan kan men cr op aan, dat de wereld op haar eind loopt en dat zij zelfs met geen nieuw taalonderwijs meer te redden zal zijn.

1) Cacographie, uitgave van P. Noordlioff.

Sluiten